Print dit verslag
    Stuur door naar vriend(in)
Info verslag
Verslagtype: Werkstukken
Taal: Nederlands
Vak: Aardrijkskunde
Commentaar: -
Aantal keer bekeken: 27643
Aardrijkskunde

IJstijd, het Pleistoceen

LET OP: Dit verslag is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel bij het maken van je eigen verslag en niet om zomaar in te leveren bij je docent(e).

Het Pleistoceen

Door: E.v.M. en E.M.
Klas: 4A1
Datum: 31 mei 2001

Inhoudsopgave:

1. Voorblad
2. Inhoudsopgave
3. Inleiding
4. Het Pleistoceen in het algemeen.
5. Hoe ontstaan ijstijden?
6. Koude en warme periodes
7. Afzettingen door gletsjers
8. Afzettingen na het smelten van de ijskap
9. Het Pleistoceen tot aan het Saalien, in Nederland
10. De grootste ramp die Nederland gekend heeft
11. De rivieren tijdens het Saalien, in Nederland
12. Het Laat-Pleistoceen
13. Conclusie + Eigen mening + Bronvermelding + Taakverdeling

Inleiding.

Dit werkstuk gaat over het Pleistoceen met zijn ijstijden. Een ijstijd is een periode van sterke wereldwijde afkoeling, waarin ijskorsten zich verspreiden over gebieden die nu een gematigd klimaat hebben. De eerste ijstijd begon in het Pre-Cambrium. Dit is een periode van 2300 miljoen jaar geleden. Tussen de 20000 en 10000 jaar geleden was de laatste ijstijd.
Over de hele aardgeschiedenis zijn er minstens vijftien ijstijden geweest. Tijdens een ijstijd stond het dalingsbekken steeds droog, na de ijstijd stroomde het weer vol. Daardoor was er veel transgressie( zeeŽn stonden leeg, want het water was bevroren) en regressie( de zeeŽn liepen weer vol, want het water smolt weer). Tijdens een ijstijd waren verschillende landen met elkaar verbonden, Groot-BrittanniŽ was bijvoorbeeld verbonden met Europa. De klimaatsveranderingen en vergletsjeringen hebben de vorm van Europa bepaald. Het Pleistoceen bestond uit koude periodes en warme periode( waar we in dit werkstuk ook enkele hoofdstukken aan besteden), die elkaar afwisselden. Er waren veel klimaatsveranderingen, waardoor de flora en fauna steeds veranderden. In het Pleistoceen ontstonden nieuwe diersoorten en andere dieren stierven uit. Ook de mens heeft in een deel van het Pleistoceen geleefd.
Het eerste gedeelte van ons werkstuk gaan we het hebben over het Pleistoceen in het algemeen. In het tweede gedeelte gaan we ons meer richten op Nederland in het Pleistoceen. Het landschap in Nederland is voornamelijk gevormd in het Pleistoceen en het Holoceen. In dit werkstuk wordt Nederland beschreven van 2,5 miljoen jaar B.P. tot 10.000 B.P. We letten in het bijzonder op Nederland in het Saalien.

Het Pleistoceen in het algemeen

Het Pleistoceen wordt gekenmerkt door de ijstijden. Je vraagt je misschien af hoe men heeft kunnen bepalen dat er tijdens het Pleistoceen koude perioden waren.
In de vorige eeuw vroeg men al af hoe de zwerfkeien in het hoger gelegen oosten daar kwamen. Eerst dacht men dat de keien door de zondvloed hierheen waren vervoerd. De oude benaming voor het Pleistoceen is dan ook Diluvium, wat zondvloed betekent. Daarna kwam de theorie van de ijstijden. Later ontdekte men dat er meerdere ijstijden geweest moesten zijn, in elk geval vier. Nu gaat men ervan uit dat er zeker tien ijstijden geweest zijn. Tot deze conclusie is men vooral gekomen dankzij het zogenaamde ďpollenanalytisch onderzoekĒ. Wat dat inhoud zullen wij nu kort uitleggen. De buitenwand van stuifmeel(pollen) bestaat uit een stof, die zolang ze niet in aanraking met de lucht komt, uitstekend bewaard blijft. In sommige gevallen soms zelfs tientallen miljoenen jaren. Die gevallen konden zich voordoen wanneer het stuifmeel werd opgesloten in veen- en kleilagen. Door het stuifmeel uit deze lagen te onderzoeken krijgt men een beeld van de vegetatie in de tijd waarin die lagen ontstonden en zo kunnen ook veranderingen in de vegetatie worden waargenomen.

Hoe ontstaan ijstijden?

Er zijn verschillende theorieŽn ontwikkeld over waarom er ijstijden zijn. Sommige geleerden zeggen dat ijstijden voorkomen in periodes waarin de bergen groeien en massieve ijsafzettingen op grote hoogte een wereldwijde afkoeling veroorzaken. Anderen zeggen dat grote meteorieten uit de ruimte op het aardoppervlak zijn ingeslagen en zoveel stof hebben opgewaaid dat het de warmte van de zon tegenhield.
Maar ontdekkingen van niet zo lang geleden tonen aan dat ijstijden ontstaan door astronomische veranderingen, zoals: verandering van de baan van de aarde om de zon en verandering van de hoek van de aardas. Deze veranderingen kunnen elkaar beÔnvloeden waardoor de verdeling van de zonne-energie op het aardoppervlak verandert.
Om een grote ijstijd te krijgen moet het heel lang dezelfde temperatuur blijven. Als er een lange tijd veel neerslag valt en de zomers kort en koel zijn, dan hoopt in de winter de sneeuw zich op. In de zomer smelt de sneeuw dan weer niet helemaal. Zo vormen zich grote hopen sneeuw die gaan bevriezen en zo ijs worden. Elk jaar ligt de sneeuwgrens lager en rukt het landijs en de gletsjers op. Deze fasen noemt men anglaciaal.
In warmere periodes ontstond er transgressie en waren de poolkappen klein.

Koude en warme periodes.

In het kwartiair zijn een aantal koude en warmere perioden te onderscheiden. De warme tijden worden interglacialen genoemd en de koude tijden glacialen of ijstijden. In allebei de gevallen zijn er ook kleinere klimaatsveranderingen waarneembaar. Zo was het tijdens een ijstijd niet voortdurend koud. In vele ijstijden traden relatief warmere perioden op. Die perioden worden interstadialen genoemd. De relatief koude fasen in een ijstijd worden ook wel stadialen genoemd. Tijdens de stadialen bestond het landschap uit boomarme tot boomloze vegetaties (toendraís) terwijl tijdens de interstadialen bosvegataties konden optreden. In warme interglacialen werd ons land bedekt met bossen en het klimaat kon soms warmer zijn dan dat van tegenwoordig.
De drie kortst geleden ijstijden staan in Europa bekend als het Mindel, Riss en Wurm. In Groot-BrittanniŽ heten ze anders, namelijk Anglian, Wolstonian en Devensian. In Noord-Amerika heten ze nog weer anders, namelijk Kansas-, Illinois- en Wisconsin-vergletsjeringen.
Tijdens de koudste periodes waren de Alpen met ijs gevuld. Ze reikten soms tot Midden-Zwitserland, over het Juragebergte en tot Lyon en Munchen. Ook de Vogezen, het Zwarte Woud, de PyreneeŽn en de Karpaten waren deels vergletsjerd. Doordat water in de koude tijden bijna niet verdampte ontstonden er grote rivieren. Ook waren er geen planten die het water tegenhielden.
In de laatste ijstijdperiode kwamen er ijsbergen ter hoogte van Gibraltar. Ook ontstonden er door temperatuurverschillen belangrijke dalingen en stijgingen van de zeespiegel. Tijdens een ijstijd waren sommige landen met elkaar verbonden door middel van landtongen. Dit zijn smalle uitlopers van het land in zee.
Tijdens de ijstijd veranderen land- en zeeniveaus. Als de ijslaag op het land aangroeit, drukt deze de aardkorst naar beneden. De zeespiegel zakt ten gunste van de ijsvorming. Als het klimaat warmer wordt, smelt het ijs en vloeit het terug naar de zee en ook het land stijgt weer. Kustlijnen ontstaan op de grens van land en zee. Als het land daarna sterker stijgt dan de zeespiegel zullen de oudere stranden worden uitgetild boven de huidige kustlijn en komen dus hoger te liggen.
Tijdens een koude periode groeien de ijskappen en ze schuiven op naar het zuiden. Die groei van grote ijskappen is alleen mogelijk als er genoeg Ďvoedingí voor ze is. Die voeding is neerslag in de vorm van sneeuw.
Tussen de koude periodes zijn er ook warmere periodes met temperaturen die nog hoger zijn dan nu. In deze warmere periodes was door die hoge temperaturen natuurlijk lang niet genoeg neerslag. Het ijs trok zich in die periodes hierdoor terug naar het noorden.
Er zijn wetenschappers die beweren dat het Pleistoceen nog niet is afgelopen. Zij denken dat wij nu in een warmere periode leven en de ijskappen binnenkort weer naar het zuiden opschuiven. Anderen beweren dat het klimaat warmer wordt, waardoor de ijskappen binnenkort weer naar het zuiden opschuiven. Anderen beweren dat het klimaat warmer wordt, waardoor de ijskappen op de polen kunnen smelten en veel grote steden zullen onderlopen.
De duur van het Pleistoceen, nauwelijks 0,5% van de totale aardgeschiedenis, was onvoldoende om kenmerkende biologische afzettingen op te leveren.

Op het plaatje links is te zien hoe de land- en zeeniveaus tijdens een glaciale periode veranderen(1). Ook is te zien hoe de zeespiegel zakt ten gunste van de ijsvorming, want als de ijslaag op het land aangroeit, drukt deze de aardkorst naar beneden(2). Ook is te zien dat, als het klimaat warmer wordt het ijs smelt en het terug vloeit naar zee. Maar daardoor stijgt ook het land weer(3). Kustlijnen ontstaan op de grens van land en zee. Indien het land daarna sterker stijgt dan de zeespiegel, zullen oude stranden worden opgetild boven de huidige kustlijn(4).
Afzettingen door gletsjers.

Gletsjers kun je onderverdelen in twee hoofdgroepen, namelijk: continentale gletsjers en dalgletsjers.
De twee grootste continentale gletsjers, de ťťn bedekt Antarctica en de ander Groenland, worden sneeuwvelden genoemd. De grootste ijskap van Europa ligt in IJsland. Dalgletsjers zijn nog kleiner. Het zijn traag bewegende ijsrivieren, die in de bergdalen naar beneden glijden. Het begin van een gletsjer ligt meestal in een komvormig gebied, dit heet het accumulatiegebied, waar de sneeuw wordt samengeperst en in ijs verandert. Als er te veel sneeuw in de kom valt, stroomt hij over en zo kan de gletsjer naar beneden gaan schuiven.
Als een gletsjer naar beneden schuift, neemt hij grote hoeveelheden puin en grind mee. Dit wordt moren genoemd. Dit materiaal vormt een afzetting met een dikte die kan verschillen. Deze afzettingen behoren tot ís werelds meest vruchtbare gronden. Ze zijn ook een bron van zand en grind, die samen met cement gebruikt kunnen worden om beton van te maken.
Er zijn twee soorten afzettingen van gletsjers: ongelaagde en gelaagde afzettingen. Ongelaagde afzettingen, deze worden keileem genoemd, zijn een mengeling van kleine deeltjes klei en zwerfkeien. Keileem ontstaat als zand en stenen door het ijs tot leem gewreven worden.
Door de invloed van water en wind worden de deeltjes van morene geselecteerd op grootte en gewicht. Zo ontstaan er afzettingen die grote verschillen hebben met keileem. Dit zijn gelaagde afzettingen. Deze afzettingen vormen vaak aparte lagen. Veel gelaagde afzettingen worden veroorzaakt door smeltwaterstromen.
Sommige morenen worden op of net onder het oppervlak van het ijs meegenomen. Zo wordt aan de zijkanten van de gletsjer zijmorene gevormd. Er ontstaat middenmorene wanneer twee gletsjers samenkomen. Ook verzamelen er zich afzettingen aan de achterkant van de gletsjer.
Als het ijs naar voren schuift, wordt de morene aan de voorkant verpulverd. Hard gesteente als graniet wordt zand en zacht gesteente wordt fijne klei. Keileem wordt vaak in horizontale lagen afgezet. Grote keien op of in het ijs kunnen wel meters ver worden meegenomen zonder te beschadigen. Als ze uiteindelijk afgezet worden, heten ze zwerfkeien of erratische blokken. Vaak blijven ze achter op een totaal ander soort gesteente. Ze zijn vroeger voor de bouw van de hunebedden gebruikt.
Aan het einde van de gletsjer hoopt de afzetting zich op en vormt eindmorene. Een eindmorene geeft het laatste en verste punt van de gletsjer aan. De grootste eindmorene in Groot-BrittanniŽ is de Cromer Ridge. Hij is 8 kilometer breed, 24 kilometer lang en meer dan 90 meter hoog. Keileem werd ook in verschillende vormen afgezet. De meest voorkomende keileemafzettingen zijn vormeloze lagen klei. Ze komen voor in Oost-Engeland en Noord-Duitsland. Heuvels van keileem worden drumlins genoemd. Ze bestaan uit grote hoeveelheden keileem dat gevormd is door het ijs dat eroverheen stroomde.
De afzettingen lieten vaak onvruchtbare resten van vorstverwering achter. Maar soms als er een gunstige wind was lieten de afzettingen vruchtbare grond achter in de vorm van dekzand. Ook heeft het ijs wel eens dalen verbreedt. Tijdens de ijstijd vielen ondiepe zeeŽn droog en doordat er weinig water verdampte door de kou en doordat er ook geen planten konden groeien, was er veel en snel stromend water dat die zeeŽn doorkruiste. In de bodem van de Noordzee zijn nog dalen van rivieren zichtbaar, ze zijn o.a. door de Elbe en Theem gemaakt. Ook hebben gletsjers nog fjorden( komen vooral in ScandinaviŽ voor) uitgeschuurd, de Finse en Russische meren gevormd en de Oude Caledonische rotsen gevormd.
Op het plaatje links is een dalgletsjer te zien en afzettingen na het smelten van het ijs.
Afzettingen na het smelten van de ijskap

Er kunnen na het smelten van het ijs nog andere afzettingen ontstaan. Er kunnen eskers ontstaan. Dit zijn smalle ruggen die vaak honderden kilometers lang en honderden meters hoog zijn. Ze worden gevormd door waterstromen onder, in of op het ijs. Deze nemen sedimenten mee, dat naar de bodem zakt als het ijs smelt. Het sediment bestaat uit kiezelstenen en keien met een beetje zand en slib. Je kunt ze aantreffen in het midden van Ierland en in Finland. Er kunnen ook sedimenten onder de rand van het ijs ontstaan. Door de werking van het smeltwater van wordt het in waaiervorm afgezet. Dit heet spoelzand. Het smeltwater van de gletsjers in de Zuidelijke Alpen heeft ook spoelzand gevormd.
Keteldalen ontstaan als grote hoeveelheden ijs, die zich onder afzettingen van gletsjers bevinden, smelten. Hierdoor zakken de afzettingen naar beneden. Kames wordt gevormd door riviertjes die langs dalgletsjers stromen en de andere zijmorenen te maken krijgen met stroomerosie. Ook de wind is wel eens verantwoordelijk voor een aantal afzettingen door gletsjers. De wind neemt namelijk fijn materiaal, dat gevormd is door gletsjererosie, mee en zet het honderden kilometers verder af als lŲss. Ook drukte het ijs wel eens rivierafzettingen aan de voor-en zijkant van het ijs weg, waardoor een soort heuvels, de stuwwallen ontstonden. Op de gebieden waar toendra was, werd lŲss neergelegd.



Op de tekening links zie je wat er achterblijft wanneer een gletsjer zich terugtrekt. De rand van de eindmorene geeft het verste punt van de gletsjer aan en vormt de natuurlijke dam voor een meer dat gevoed wordt met smeltwater. De vorm van de eskers en de gestroomlijnde drumlins geeft de stroomrichting aan van de vroegere gletsjer.

Het Pleistoceen tot aan het Saalien, in Nederland

Aan het begin van het Pleistoceen trok de Noordzee steeds verder naar het noorden terug. Dit kwam doordat in het Praetiglien-glaciaal (dus een ijstijd) veel water in de noordelijke ijskap werd opgenomen. Na het Praetiglien-glaciaal brak het Tiglien-interglaciaal aan. Het begin van dit interglaciaal was ongeveer 2,2 miljoen jaar B.P. Het zuiden van Nederland was toen al droog terwijl het noordwesten van Nederland nog onder water lag. Men is door de bestudering van schelpen erachter gekomen dat het water koude en warme(re) perioden heeft gekend. In het Tiglien leefde hier in de wouden en bossen o.a. neushoorns en zebraís.
Aan het eind van het Tiglien werd het hier kouder. Er ontstond een toendralandschap. Dit is dan ook meteen het begin van een nieuwe koude periode: het Eburonien. Dit glaciaal begon ongeveer 1,6 miljoen jaar B.P. Na deze periode van kou werd het weer warmer. Deze periode wordt het Waalien-interglaciaal genoemd. De meeste dieren en planten konden toen weer voor de laatste keer terugtrekken naar deze streken. Na het Waalien ontstond een nieuwe koude periode die vele dier- en plantensoorten voorgoed uit Nederland verdreef. Deze periode noemt men het Menapien-glaciaal.
Rond 800.000 B.P. begon een periode die men het Cromerien-complex noemt. Deze periode bevat vier interglacialen en drie glacialen.
In het zuiden van ons land bouwden de Rijn en Maas voortdurend aan de ophoging van het landschap, terwijl in het noorden de oostelijke rivieren volledig uit het Nederlandse gebied verdwenen. Ook ten tijde van het Cromerien-complex vond in de Ardennen een ophoging plaats. Dit had als gevolg dat de rivieren in Zuid-Nederland zich eroderend gingen insnijden in het landschap. De Rijn voert nu ook zware mineralen mee die wijzen op een beginnende activiteit van de vulkanen in het Eifelgebergte. Pas aan het eind van het Pleistoceen kwamen die vulkanen weer tot rust. Vanaf het midden van het Cromerien-complex breidde de invloed van de Rijn zich steeds verder uit. Tot in het begin van het Saalien, de voorlaatste ijstijd, zet deze rivier in het grootste deel van de noordelijke helft van ons land dikke pakketten zand af. Deze afzetting wordt door de geologen de Formatie van Urk genoemd. In het zuidoosten van ons land vindt in dezelfde periode afzetting van grove zanden en grinden door de Maas plaats. Hier wordt gesproken over de Formatie van Veghel.
Ongeveer 300.000 ŗ 350.000 B.P. begon het Elstrien-glaciaal. Er zijn een aantal aanwijzingen dat het landijs in deze periode het noorden van Nederland heeft bereikt. Deze aanwijzingen bestaan uit smeltwaterafzettingen, keileem (met op sommige plekken grind uit ScandinaviŽ) en dekzand.
Na het Elsterien kwam het Holsteinien. Dit was een interglaciaal waarin de zee weer diep tot in ons land doordrong.

De grootste ramp die Nederland gekend heeft

Aan het eind van het Holsteinien daalde de temperatuur sterk. Na verloop van tijd kwam de gemiddelde juli temperatuur niet meer boven de 5įC uit. De voorlaatste ijstijd, het Saalien, was nu aangebroken. Het duurde echter nog een tijd voordat de ijstijd pas echt begon. De temperatuur herstelde zich nog twee keer, maar daarna was het over. De gemiddelde juli temperatuur liep snel terug naar het nulpunt. De vegetatie nam steeds meer af. Grote vlakken raakten volledig onbegroeid. De wind kon nu vat krijgen op de grondlagen. Fijn zand en lŲss werd over heel Nederland verspreid.
Bij de zandafzettingen spreekt men ook wel van dekzanden omdat het landschap er als het ware mee werd toegedekt. Geologen noemen afzettingen die door de wind plaatsvinden ook wel eolische afzettingen. Bij het naderen van het landijs begonnen ook smeltwaterafzettingen hun werk te doen. Zand en grind werden in het voorland van het landijs neergezet. Al deze afzettingen tezamen noemt men de Formatie van Eindhoven. In het noorden van ons land kwam aan de afzetting van dekzanden een einde door de komst van het landijs. In het zuiden ging de vorming daarvan door tot aan het eind van het Saalien. Tijdens de maximale uitbreiding van het landijs reikten de gletsjers tot aan de lijn Amsterdam-Nijmegen-Krefeld. Een groot deel van de noordelijke helft van Nederland lag dus onder een dik pakket landijs. Opvallend is echter dat langs de zuidelijke begrenzing van het landijs en op de Veluwe langgerekte en hoge heuvelruggen door het geweld van de ijsmassaís werden gevormd terwijl daarvan in het noorden van ons land nauwelijks sprake was. Daar ligt een zwak golvend plateau met keileem, welke in het zuiden begrensd wordt door lage stuwwallen.
Deze twee verschillende landschapstypen danken we aan de verschillende vormen van ijsbedekking. Aangenomen wordt dat enkele gletsjers op een gegeven moment met grotere snelheid uitvloeiden waarbij ze meer tegenstand van de bodem dan voorheen ontmoetten. Het gevolg was dat de steeds verder oprukkende gletsjers zich diep door het landschap ploegden en op hun weg enorme zand- en grindmassaís voor zich uit en opzij drukten.
Aansluitend hierop kunnen we de landijsbedekking in een vijftal fasen onderscheiden. In de eerste fase kwam het ijs aanvankelijk niet verder dan de lijn Castricum-Hoorn-Urk-Ootmarsum. Tot dat moment ondervond het weinig tegenstand van de bodem, waarvan de min of meer gelijkmatige afzettingen van keileem (een mengsel van klei en leem waarin grind voorkomt en een enkele grotere steen) getuigen. Vervolgens vond uitvloeiing van het ijs plaats waarbij diepe glaciale bekkens (onder IJmuiden, Amsterdam, Flevoland en de Gelderse Vallei) ontstonden en stuwwallen werden gevormd.
Door een uit het noordoosten oprukkend ijsfront werd de stuwwal van de Oost-Veluwe frontaal gestuwd. Bij een dergelijke stuwing vindt de meeste erosie plaats. Niet alleen is hier sprake van het hoogst door het ijs gevormde heuvelrug (de hoogste toppen liggen ruim 100 meter boven N.A.P.), ook was hier (in de IJsselvallei) het diepste glaciale bekken gelegen. Geologisch onderzoek wees uit dat dit bekken minstens 125 meter diep moet zijn geweest. Het ijs moet op dit gebied zeker 250 meter dik zijn geweest. Een plek waar dit duidelijk te zien is is de Posbank bij Rheden.
In de tweede fase van de landijsbedekking vond een verdere uitvloeiing van gletsjers plaats. Tijdens deze fase werden de stuwwallen van de Utrechtse heuvelrug, de Gelderse Vallei, de Zuidelijke Veluwe, het Rijk van Nijmegen en het Beneden-Rijngebied gevormd. De ijsmassaís schijnen na de eerste fase aan kracht te hebben ingeleverd. De glaciale bekkens uit de tweede fase zijn ondieper en de stuwwallen lager. Aangenomen wordt dat de ijskap dunner was geworden. Wel bereikte het ijs in deze fase de uiterste grenzen en was in het zuidoosten tot bij Krefeld opgerukt.
Tijdens de derde fase trok het landijs zich terug tot de lijn Castricum-Hoorn-Urk-Vollenhove-Oostmarsum. De ijsmassaís bleven enige tijd stil liggen, maar duwden de grond wel omhoog. Daardoor ontstonden kleine stuwwallen in Noord-Holland, bij Urk, Schokland en Vollenhove. Op enkele plaatsen vloeiden nog gletsjers uit naar het zuiden waardoor de stuwwallen in het Oost-Nederland zijn gevormd.
Na enige tijd trok het ijs zich nog verder naar het noorden terug. We zijn nu in de vierde fase beland waarbij het ijs op de lijn Texel-Wieringen-Gaasterland-Steenwijk kwam te liggen. Hier bleef het ijs ook enige tijd liggen en vormde de lage heuvels bij Wieringen en Gaasterland. De stuwwal bij Steenwijk werd tevens nu gevormd.
In de vijfde en laatste fase trok het ijs zich terug in het noordoosten van ons land, waar het wederom weer enige tijd stil bleef liggen. Daarna verdwenen de gletsjers voorgoed. De dieren en planten deden weer hun intrede in ons landschap. De grootste natuurramp die ons land ooit beleefd had was voorbij.
Na het terugtrekken van het landijs vulden de bekkens (de plaatsen waar de gletsjers zich diep in de grond hadden gevreten) zich met klei-afzettingen.
Het landijs had grote stuwwallen veroorzaakt die je nu ter hoogte van de HUN-lijn (Haarlem-Utrecht-Nijmegen: de denkbeeldige lijn tot waar het ijs is gekomen) kunt aantreffen.

De rivieren tijdens het Saalien, in Nederland

Voordat het landijs Nederland had bereikt konden de rivieren vrij hun weg zoeken in noordoostelijke richting. Tijdens het oprukken van het landijs werd enorm veel water opgenomen in het ijs. Hierdoor daalde de zeespiegel en na verloop van tijd stond de Noordzee helemaal droog. Het water van de rivieren kon zich nu nog een weg vormen tussen de ijskappen van Groot-BrittanniŽ en ScandinaviŽ. Toen deze aan elkaar vast zaten waren de rivieren gedwongen hun stroomgebied naar het westen te verleggen. Wanneer het ijs vanuit het noordwesten ook kwam opzetten werden de rivieren naar het zuiden afgebogen. Hiermee werd een begin gevormd met het dal tussen Engeland en Frankrijk: het Nauw van Calais.
Vanaf het begin van het Saalien voerden de Maas en Rijn grove grindhoudende zanden aan die in heel Nederland werden afgezet (behalve in noord Nederland ten tijde van de ijstijden).
Toen het ijs weer terugtrok stroomde de Maas en Rijn weer naar het noordwesten. Pas na de laatste ijstijd kwam in grote lijnen de huidige bedding tot stand.

Het Laat-Pleistoceen

Ongeveer 120.000 B.P. liep het Saalien ten einde. Er zijn nu nog twee geologische perioden onbesproken: het Eemien en het Weichselien.
Het Eemien duurde tot ongeveer 110.000 B.P. Dit was een warmere periode met temperaturen van 20įC. Er waren nu ook weer loofbossen. Verder is er weinig van dit tijdsvlak bekend.
Het Weichselien duurde tot 10.000 B.P. Dit was de laatste koude periode die ons land gekend heeft. Het landijs bereikte ons nu niet, maar de temperatuur bleef een lange tijd onder de 5įC.Ons land werd toen geteisterd door grote stofstormen die heel Nederland bedekte met een dikke laag dekzand. Toendra landschappen en poolwoestijnen wisselden elkaar af en ongeveer 13.000 B.P. trad een geleidelijke verbetering in. Langzaam kwamen er naald- en loofbossen. Met deze definitieve klimaatsverbetering eindigde 10.000 B.P. het Weichselien en daarmee ook het Pleistoceen

Conclusie + Eigen mening + Bronvermelding

Conclusie:

De klimaatsveranderingen en de bewegingen van sneeuw en ijs hebben de vorm van Europa bepaald. Het ijs en de sneeuw stuwden afzettingen voort, waardoor er heuvels en bergen ontstonden. In de bodem van de Noordzee zijn nu nog bekken zichtbaar waar rivieren in de ijstijden doorheen stroomden. Ook zaten sommige landen door middel van landtongen aan elkaar vast. Zo was Groot-BrittanniŽ verbonden met de rest van Europa. Door afzettingen zijn er vruchtbare en niet-vruchtbare gronden ontstaan. Door de grote temperatuurverschillen stierven sommige diersoorten uit en andere soorten ontstonden juist weer.

Eigen mening:

Wij vonden het Pleistoceen een zeer interessant onderwerp om een werkstuk over te maken, omdat het in onze eigen omgeving was en een rol speelde bij de vorming van deze omgeving.
Van dit werkstuk hebben we wel veel geleerd. Zo snappen we de tijdsindeling en de gebeurtenissen in het Pleistoceen die daarbij horen nu beter

Bronvermelding:

∑ Nederland in de ijstijden
∑ Wereldwijzer( gedeelte Aarde)
∑ De geschiedenis van Europa
∑ Sporen in het land
∑ GeÔllustreerde wereldgeschiedenis van de archeologie
∑ Grote Winkler Prins
∑ Encarta
∑ Internet
Terug Stuur je eigen verslag op Opnieuw zoeken