Kloos, Willem
Tot 1920, Willem Kloos
LET OP: Dit verslag is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel bij het maken van je eigen verslag en niet om zomaar in te leveren bij je docent(e).
Willem Kloos
Willem Kloos was de leidende figuur in de Beweging der Tachtigers. Hij studeerde klassieke
letteren, maar voltooide deze studie niet. In 1880 debuteerde hij met het
lyrisch-dramatische gedicht Rhodopis in het tijdschrift Nederland. In deze tijd raakte hij
bevriend met Jacques Perk, wiens poëzie hij na zijn dood uitgaf en van een inleiding
voorzag.
Deze inleiding werd het belangrijkste manifest voor de Beweging van Tachtig. Hierin
verwierp Kloos in felle bewoordingen de stichtelijke en huiselijke poëzie van
domineedichters als Ten Kate, Nicolaas Beets en Ter Haar en hield hij een hartstochtelijk
pleidooi voor een poëzie van passie, die niet gericht is op enige morele of didactische
boodschap maar alleen in dienst wil staan van de Schoonheid. De kunst bestaat slechts om
de kunst.
Kloos creëerde in dit manifest, in navolging van o.a. de Engelse romanticus Shelley,
het beeld van de dichter, die uitverkoren is door zijn kunstenaarschap en eenzaam door de
wereld gaat. De dichter moet zijn lijden, verlangen, smart en liefde verwoorden in een
eigen, persoonlijke taal en beeldspraak: vorm en inhoud zijn één. In 1890, bij de
publikatie van de Verzen van Herman Gorter, omschreef hij de poëzie als de
allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie.
In 1885 maakte Kloos samen met A. Verwey en A.C. Veth een parodie op een lyrisch epos,
dat zij Julia noemden en dat zeer bewonderd werd door de critici. Maar het was een soort
practical joke: ze wilden met onzin-gedichten de critici uitdagen - en dat lukte heel
goed. Nietsvermoedend schreven allerlei dagbladrecensenten lovend over het in een mooi
bandje uitgegeven boekje Julia. In de brochure De onbevoegdheid der Hollandsche literaire
kritiek (1886) rekende Kloos met deze beoordelaars af.
In datzelfde jaar was hij een van de oprichters van De Nieuwe Gids, waarvan hij tot
zijn dood redacteur bleef. Met name in de jaren 1885-1891 droeg hij met zijn kritieken in
dit tijdschrift veel bij aan de ontwikkeling van een nieuwe poëzie in Nederland. Ook
publiceerde hij er zijn belangrijkste en beste poëzie in, o.a. een sonnet dat de volgende
regels bevat:
De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining,
De Zee waarin mijn ziel zichzelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zichzelve niet.
Kort na 1890 werd Kloos bijna ziekelijk zwaarmoedig. Zijn literaire werk boette daarna
sterk in aan kwaliteit. Het besef dat anderen hem voorbijstreefden uitte hij in
scheldsonnetten, die hij in de jaren 1893-1895 in De Nieuwe Gids publiceerde. Nog wel van
belang, met name voor de studie van de Beweging van Tachtig, zijn gebundelde kritieken in
Veertien jaar literatuurgeschiedenis (1896). In 1900 trouwde Kloos met de schrijfster
Jeanne Reyneke van Stuwe en vestigde hij zich in Den Haag. Hij ging tot aan zijn dood door
met het schrijven van sonnetten en kritieken in De Nieuwe Gids, maar zijn werk wordt
ontsierd door breedsprakigheid en grootheidswaanzin.
De Nieuwe Gids stierf enkele jaren na de dood van haar oprichter Kloos een roemloos
einde: het werd in de oorlog een wat we nu noemen heel erg fout blad. In 1943 verscheen
het laatste nummer.