Print dit verslag
    Stuur door naar vriend(in)
Info verslag
Auteur: Focquenbroch, Willem Godschalk van
Verslagtype: Biografieën
Maker: Bekend
Taal: Nederlands
Vak: Nederlands
Commentaar: -
Aantal keer bekeken: 2347
Nederlands

Focquenbroch, Willem Godschalk van
Focquenbroch, Willem Godschalk van

LET OP: Dit verslag is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel bij het maken van je eigen verslag en niet om zomaar in te leveren bij je docent(e).

Het omstreden leven van...

Willem Godschalk van Focquenbroch

Wyl ick dus sit, en smoock een pijpjen aen de haert,
Met een bedrukt gelaet, de ogen na de aerd
d’Een elleboogh onder ‘t Hooft, zoekt mijn gedacht’ de reden
Waerom ‘t geval mij plaeght met so veel straffigheden?

Inleiding

Willem Godschalk van Focquenbroch, een volslagen malloot, een drankorgel, een losbol, een geflopte dokter. Dat zijn de meest voorkomende aanmerkingen van critici op de schrijver uit de Gouden Eeuw. Het is een van de schrijvers uit die tijd die nooit echt erkend is. Helaas zijn er niet veel mensen geweest die het leven van ‘meester Fok’ wat grondiger doorzocht hebben. Hadden ze dat wel gedaan, dan hadden deze critici zeker gelijk gekregen! Alleen zouden ze dan ook de redenen weten waarom hij op die manier leefde. Focquenbroch had een visie van het leven en van het dichten die nogal afweek van de gebruikelijke. Het leven en de gave om te kunnen dichten waren geschenken van God, maar Focquenbroch ‘veegt daar zijn schoenen mee af’ (uit een brief aan Johannes Ulaeus). Focquenbroch laat in zijn werken zien dat hij niet weet wat hij met zijn leven aan moet. Waarvoor is de mens geschapen!? Wat heeft hij voor een doel op deze ‘verdorven’ aarde? Drinken? Roken? Vrouwen? Nou ja, het moet maar. Stiekem zijn er toch mensen die hem als een uitzonderlijk dichter zien...

Het leven van W.G.V. Focquenbroch

Op 26 april 1640 werd Willem Godschalk van Focquenbroch gedoopt in de Oude Kerk in Amsterdam. Zijn ouders waren de toen 42-jarige Pouwels (Paulus) van Focquenbroch en zijn 10 jaar jongere vrouw Catrina Sweers. Focquenbroch senior schijnt een behoorlijk goede handelaar geweest te zijn. Zo kocht hij in 1644 ‘De Zilveren Doornenkroon’ aan de Anthonisbreestraat. De prijs was f9800,-. Waarschijnlijk kreeg hij later geldproblemen en heeft het huis weer verkocht voor een prijs van f10.750,-. Catrina Sweers kwam uit een Antwerps timmermansgezin. Hun eerste 2 kinderen, Janneke en Paulus junior, stierven voor hun tweede jaar. Na Willem werd nog een vierde kind geboren: Jacobus.

Het is niet zeker, maar waarschijnlijk hebben Jacobus en Willem de Latijnse school van Jacobus Heyblock (verre familie en de hoofdmeester) doorlopen. Focquenbroch schreef dan ook een gedicht over Heyblock: ‘Aen Mijn Heer Jacob Heyblock’. Hierna is hij aan het Amsterdamse ‘Atheaneum Illustre’ begonnen met zijn studie medicijnen. Helaas was er in Amsterdam geen promotie mogelijk, dus liet hij zich op 29 maart 1662 inschrijven in Utrecht. Nog geen 4 maanden later promoveerde hij door zijn proefschrift: ‘De lue venerea’. Het stuk ging over geslachtsziekten, wat in die tijd een gewild onderwerp was. Veel is er niet bekend over zijn vriendenkring. Waarschijnlijk heeft Focquenbroch een paar van zijn gedichten gewijd aan zijn studievrienden, zoals Johannes van Bersingen, Johannes van Royen en Aernout van Overbeke. Wat wel zeker is, is dat zijn beste vriend Johannes Ulaeus geweest moet zijn. Verder had hij ook een meer dan zakelijke relatie met zijn uitgever: Johannes van den Bergh. Verschillende gedichten wijdde hij aan Maria van Sypesteyn. Van het hoe en waarom daarvan is niets bekend (maar misschien wel te raden). Hij schreef ook een brief aan Constantijn Huygens, maar van een vriendschapsband is niet te spreken.

Vanaf 1668, 2 jaar na de dood van zijn ouders, is het bekend dat Focquenbroch inkomsten had als dokter. Die inkomsten waren helaas niet hoog genoeg om rond te kunnen komen. Omdat het leven als arts in Amsterdam steeds moeilijker werd, besloot Focquenbroch zich nog in hetzelfde jaar aan te melden bij de WIC (West Indische Compagnie). Hij solliciteerde naar een baan als fiskaal over de Goudkust van Guinee, een soort douaneambtenaar. Met deze baan was veel meer geld te verdienen. Als werkplaats werd het oude Portugese fort: ‘São Jorge de Mina’ of: Elmina gekozen, wat lag in Guinee, in Noord-Afrika Zijn voornaamste taak was de ‘lorredraaiers’ (schepen die zonder toestemming handel dreven) op te pakken en te veroordelen. Verder moest hij ook de orde bewaren onder het personeel van de WIC. Focquenbroch was zoals hij zelf zei: De tweede persoon van een klein koninkrijk. Vanuit Elmina heeft Johannes Ulaeus nog verschillende brieven van Focquenbroch ontvangen. De eerste brief heeft een vrolijke toon, maar dat verandert al snel. Al in de tweede brief schrijft hij:
(...) in dit barbaarsche, melancholique, en verbaesde dorre land, ‘t welck ik niet gezind ben heel net af te schilderen, uyt vrees dat gij schreyen soud als een kind, en de arme focq beklaegen, om dat hem het noodlot in soo verdoemde plek gebracht heeft.
‘De Focq’ voelt zich erg eenzaam en als zijn met hem meegereisde neef Philip van Heeden sterft, ziet hij het helemaal niet meer zitten. Waarschijnlijk is hij niet lang daarna, na een van de vele epidemieën die onder de Hollanders in Elmina heersten, gestorven. Het exacte jaartal is niet bekend, maar het moet ergens tussen 1670 en 1673 zijn geweest. Er zijn vage aanwijzingen dat Focquenbrochs dood op 14 juli 1670 bij de WIC werd gemeld, maar het officiële document hiervan is kwijtgeraakt. Verder is ook bekend dat na 1670 de functie van fiscaal in Elmina vrij was.

Persoonlijke contacten

Jacobus Heyblock

Naast de personen die eerder zijn genoemd, zijn er bepaalde figuren geweest die een grote invloed hebben gehad op het werk van Focquenbroch. Een van die figuren is Jacobus Heyblock. Hij was verre familie van de Focquenbrochs. Hij was waarschijnlijk degene die er bij de broers Willem en Jacobus op aandrong om medicijnen te gaan studeren, terwijl hun vader zijn zoons liever een economische richting uit liet gaan. Heyblock heeft hun vader blijkbaar om weten te praten en Willem en Jacobus studeerden beiden met behoorlijk wat successen op de Latijnse school van diezelfde Heyblock en later aan de universiteit. Focquenbroch schreef in zijn studententijd vaak naar zijn ‘leermeester’ voor vragen. Zo is deze brief (gepubliceerd in Heyblocks eigen werk: het ‘Album Amicorum’) een in dichtvorm geschreven eerbetoon voor zijn promotie, behaald in Utrecht.

Johannes Ulaeus

Een persoon die als niemand anders invloed op Focquenbroch heeft uitgeoefend is zonder twijfel Johannes Ulaeus, zijn studiegenoot en beste vriend. Hij werd net als Focquenbroch op 11 oktober 1640 gedoopt in de Oude Kerk in Amsterdam. Zijn ouders, Dirck Janszoon Ulaeus en Maria Pieters Nierop, kwamen uit het oosten van Holland en hadden bezittingen in de buurt van Kleef. Hoe hun vriendschap is ontstaan is niet duidelijk, maar waarschijnlijk zaten ze samen op de Latijnse school. Wat zeker is, is dat Ulaeus zich na de vooropleiding in 1654 samen met zijn broer inschreef aan de Leidse universiteit. In eerste instantie studeerde hij daar letteren, maar in 1659 staat hij ingeschreven in Franeker, als student in de rechten. In 1660 zit hij weer in Leiden als filosofie-student, om daarna in 1665 naar Utrecht te verkassen als student theologie. In deze tijd werkt hij samen met Focquenbroch aan het ‘verdubbelt zegen-sangh’ en ‘de herders-sangen van Virgilius,’ die nog aan de orde zullen komen. Op 30 mei 1668 staat Ulaeus ingeschreven als lid van de Hervormde Kerk in Alkmaar. In die tijd was hij beroepbaar als predikant. Later moet hij weer naar Utrecht verhuisd zijn, want in 1674 staat hij ingeschreven als inwoner van Utrecht. In Alkmaar schrijft hij: ‘verdubbelde rondeelen, angaende dóorloghs -en staetse saecken van deese tijt, in het collegie tot Alkmaer’ en ‘verdubbelde rondeelen, angaende Huwlijken, vrijerijen, en besondere voorvallen, in allerhande gelegentheit, in het collegij van Alkmaer. Deze werken zijn te vinden in de bibliotheek van Alkmaar. Vijftien stukken uit Ulaeus’ werk zijn terug te vinden in werken van Focquenbroch. In 1673 werd ‘De dodelijke na-smaek van de France brandewijn’ uitgegeven. Op 30 maart 1681 trouwde hij met Catharina Hensbroek. Na dit huwelijk werd hij aangesteld als priester in Wamel in Gelderland. In 1684 verhuist Ulaeus naar Tilburg, waar hij een betere positie krijgt. Ook hier blijft hij schrijven. Uitgegeven worden onder andere: ‘Vreugde-zang, gezongen op de dank, -en vierdag, over de vrede tusschen de konink van Vrankryk en de Staten-Generael’(1697) en ‘Salomons Spreuken en Prediker.’(1736) Tot hun dood zijn Ulaeus en zijn vrouw in Tilburg blijven wonen. Uleaus’ vrouw stierf 5 april 1732 en Ulaeus zelf op 11 december 1734. Hun 4 kinderen waren toen nog in leven. Hun zoon volgde zijn vader op als predikant.

Dirck Wilre

Dirck Dirckszn. Wilre werd in 1636 in Graft geboren. Als lorrendraaier was hij zeer succesvol. Als hij door de WIC opgepakt en in Elmina vastgezet wordt, valt het op dat hij zeer geschikt zou zijn voor een baan bij de WIC. Aangezien er manschappen tekort waren door de slechte naam die Elmina had in Holland en de voortdurende epidemieën, wordt Wilre ‘vrijwillig’ aangenomen als fiscaal. Zo komt hij in contact met Focquenbroch. Waarschijnlijk konden Focquenbroch en Wilre behoorlijk goed met elkaar opschieten. Wilre promoveert later zelfs tot oppercommies. (bevelhebber over de ‘Goudkust’) Dit omdat hij veel afwist van de omstandigheden tussen de lorrendraaiers en omdat hij de Portugese en Spaanse taal goed beheerste. Als oppercommies wordt van hem een schilderij gemaakt door Pieter de Wit. Op dat schilderij staat nog een figuur afgebeeld. Het is niet helemaal zeker, maar er is een grote kans dat die persoon Focquenbroch is. Aan de kleding te zien moet het een fiscaal geweest zijn. Voor die positie kwamen 3 personen in aanmerking. Deze waren: Willem Godschalk van Focquenbroch, Francois Roman en Armand Ruytiers. Het schilderij is begin 1670 geschilderd. In die tijd was Focquenbroch 29, Roman 41 en Ruytiers 50. Als je kijkt naar het gezicht van de persoon, komt Focquenbroch toch het meest in de buurt. Als je dan ook nog weet dat Wilre en de Focq vaak met elkaar optrokken, is het toch het meest logisch te denken dat de persoon links Focquenbroch is.

De bibliografie van ‘de Fok’

Allereerst even een overzicht van ‘alle de wercken’ van Willem Godschalk van Focquenbroch, uitgegeven in de 17e en 18e eeuw:
  1. De Verwarde Jalousy, Blyspel
    Amsterdam: Jacob Lescaille, 1663
  1. Klucht van de Weyery
    Amsterdam: Jacob Vinckel: 1665
  1. Klucht van Hans Keyenvresser
    Amsterdam: Jacob Vinckel: 1665
  1. Thalia, of geurige sang-goddin (1e deel)
    Amsterdam: Johannes van den Bergh, 1665
  1. Een Hollandschen Vuystslag op Brabantschen Koon.
    1. Pl, 1665
  1. Een Hollandschen Vuystslag op Brabantschen Koon.
    1. Pl, 1665
  1. Verdubbelt Segen-sang, der negen Musen.
    Amsterdam: Johannes van den Bergh, 1666
  1. De herders-sangen van Virgilius Maro
    Amsterdam: Johannes van den Bergh, 1666
  1. Thalia, of treurige sang-goddin
    (1e deel)
    Amsterdam: Johannes van den Bergh, 1668/1669
  1. Thalia, of treurige sang-goddin (2e deel)
    Amsterdam: Johannes van den Bergh, 1668/1669
  1. Thalia, of treurige sang-goddin (1e deel)
    Amsterdam: Alexander Lintman, 1673
  1. Thalia, of treurige sang-goddin (2e deel)
    Amsterdam: Alexander Lintman, 1673
  1. Min in’t Lazarus-huys, blyspel
    Amsterdam: Jacob Vinckel, 1674
  1. Min in’t Lazarus-huys, blyspel
    Amsterdam: Jacob Vinckel, 1674
  1. Alle de wercken, deel 1 (=Thalia, 1e deel)
    Amsterdam: Baltus Boeckholt, 1675/1676
  1. Alle de Wercken, deel 2 (=Thalia, 2e deel)
    Amsterdam: Baltus Boeckholt, 1675/1676
  1. Min in’t Lazarus-huys, blyspel
    Amsterdam: Baltus Boeckholt, 1675/1676
  1. Afrikaense Thalia (=Thalia, 3e deel)
    Amsterdam: Jan ten Hoorn, 1678
  1. Min in't lazarus­huys, Blyspel.
    Alkmaar: Pieter de Wees, z.j.
  1. Thalia, of geurige sang­godin, eerste deel. en
    Thalia, of geurige sang­godin, tweede deel.
    Amsterdam: David Lindenius en Andries Vinck, 1679.
  1. Afrikaense Thalia, of het derde deel van de geurige zang­godin. en
    De verwarde jalousy, Blyspel.
    Amsterdam: David Lindenius en Andries Vinck, 1679.
  1. De herders­sangen van Virgilius Maro.
    Amsterdam: David Lindenius en Andries Vinck, 1679.
    Amsterdam: Michiel de Groot, 1680.
  1. Thalia, of geurige sang­godin, eerste deel. en
    Thalia, of geurige sang­godin, tweede deel.
    Amsterdam: Weduwe Michiel de Groot en Gysbert de Groot, 1682.
  1. Afrikaense Thalia, of het derde deel van de geurige zang­godin. en
    De verwarde jalousy, Blyspel.
    Amsterdam: Weduwe Michiel de Groot en Gysbert de Groot, 1682.
  1. De herders­sangen van Virgilius Maro.
    Amsterdam: Weduwe Michiel de Groot, 1682.
  1. Min in't lazarus­huys, Blyspel.
    Amsterdam: Gysbert de Groot, 1687.
  1. Alle de werken, eerste deel.
    Amsterdam: Weduwe Gysbert de Groot, 1696.
  1. Alle de werken, tweede deel.
    Amsterdam: Weduwe Gysbert de Groot, 1696.
  1. De verwarde jalouzy, Blyspel.
    (met "Wed." op titelpagina)
    Amsterdam: Weduwe Gysbert de Groot, z.j.
  1. De verwarde jalouzy, Blyspel.
    (met "Weduwe" op titelpagina)
    Amsterdam: Weduwe Gysbert de Groot, z.j.
  1. Min in't lazarus­huys, Blyspel.
    Amsterdam: Weduwe Gysbert de Groot, 1702
  1. De verwarde jalouzy, Blyspel.
    Amsterdam: Erven Jacob Lescaille, 1705.
  1. Alle de werken, eerste deel.
    Amsterdam: Weduwe Gysbert de Groot, 1709.
  1. Alle de werken, tweede deel.
    Amsterdam: Weduwe Gysbert de Groot, 1709.
    (met fruit­vignet)
  1. Min in't lazarus­huys, Blyspel.
    Amsterdam: Erve van weduwe Gysbert de Groot, z.j.
  1. Alle de werken, eerste deel.
    Amsterdam: Erve weduwe Gysbert de Groot, 1723.
  1. Alle de werken, tweede deel.
    Amsterdam: Weduwe Gysbert de Groot, 1709 [= 1723].

(met a: bloempot of b: vrouwekop)
  1. De verwarde jalousy, Kluchtspel.
    Amsterdam: David Ruarus, 1730. (A2 gesigneerd)
  1. De verwarde jalousy, Kluchtspel.
    Amsterdam: David Ruarus, 1730. (A2 niet gesigneerd)
  1. Min in't lazarus­huys, Blyspel.
    Amsterdam: David Ruarus, 1732.
  1. Min in't lazarus­huys, Blyspel.
    Amsterdam: David Ruarus, 1732.
  1. Min in't lazarus­huys, Blyspel.
    Amsterdam: David Ruarus, 1732.
  1. Min in't lazarus­huys, Blyspel.
    Amsterdam: David Ruarus, 1732.
  1. Alle de werken, eerste deel.
    Amsterdam: Steven van Esveldt, 1766.
  1. Alle de werken, tweede deel.
    Amsterdam: Steven van Esveldt, 1766.
  1. Min in't lazarus­huys, Blyspel.
    Amsterdam: J. Helders en A. Mars, 1783.

De verwarde jalousy: Het eerste boek van Focquenbroch dat gedrukt werd. Het is een bewerking van het toneelstuk ‘Sganarelle ou le Cocu imaginaire,’ van Molière. Het origineel ging in 1660 in première en was meteen een succes. De Hollandse schouwburg zocht iemand die dit Franstalige stuk kon vertalen voor opvoering in eigen land. Focquenbroch was de gelukkige. Zijn stuk ging in 1663 in première in de Hollandse schouwburg. Focquenbroch moet behoorlijk onbekend zijn geweest, want zijn naam is op de voorpagina nergens te bekennen. Het enige wat daar van hem te zien is, is de afkorting W.G.V.F. Pas op de laatste pagina wordt zijn naam genoemd.

Klucht van de weyery: Deze klucht is opgenomen in de Thalia. Daar wordt erbij vermeld, dat deze klucht gespeeld is op de bruiloft van A. Valckenier en J.V. Schoonvelt.. Dit betekent dat deze klucht ook in 1664 moet zijn gedrukt. Het lijkt erop dat deze klucht speciaal voor de bruiloft is gedrukt en na de opvoering in de Thalia terecht is gekomen. Vandaar ook dat het werk bij Vinckel is uitgegeven en niet bij Van den Bergh. De bruidegom, of degene die hem met het stuk wilde verrassen, heeft de uitgave zelf betaald en daarvoor de goedkoopste zaak uitgezocht.

Klucht van Hans Keyenvresser: Ook dit stuk werd eigenlijk geschreven om opgevoerd te worden tijdens een bruiloft. Net als ‘de klucht van de weyery’ is het opgenomen in het eerste deel van de Thalia. De naam van deze klucht verschilt hierin van het origineel, namelijk: ‘De klucht van de quacksalver.’ Vinckel wordt door een op beide bruiloften aanwezige man, Worp, op de hoogte gebracht van het stuk, zodat ook deze door hem uitgegeven wordt. In de Thalia staat bij het stuk vermeld: ‘Uytvermaeck ghespeelt op de bruyloft van een paer eerlijcke luy.’ In het origineel staat dat er niet bij vermeld.

Thalia, of geurige sang-goddin: Het eerste verzamelwerk van Focquenbroch. ‘Thalia’ is de naam van de muze van de komedie. Vandaar ook het woord geurig. Geurig wil zeggen: geestig. Het boek bevat een bewerking van ‘Typhon, of de reusen-strijdt ’, van Scarron. Focquenbroch heeft van dit gedicht dat serieus bedoeld was een erg komisch verhaal (ook in dichtvorm) in elkaar weten te zetten. Het stuk is door meester Fok op een burleske (=cynische, satirische) manier geschreven. Verder zijn de 3 hierboven genoemde werken in de Thalia te vinden, meerdere bruiloftsgedichten, overpeinzingen, een paar lyrische stukken, (rijm)brieven en Frans en Nederlandstalige liedjes. De melodieën van deze liedjes waren bekend, maar Focquenbroch heeft er in de tekst zijn eigen invulling aan gegeven. Opvallend is het, dat deze bundel niet zoals meestal werd gedaan, aan een belangrijk persoon opgedragen, maar aan een aapje...

Een Hollandschen vuystslag, op een Brabantsche Koon: In 1665 viel de bisschop van Munster de Republiek Holland binnen. Ter gelegenheid hiervan verscheen het pamflet ‘Den Munsterschen trommel­slagh, op den Hollandschen toon,’ waarin wordt gesteld dat de Hollandse ketters nu eens flink aangepakt moeten en zullen worden. Hierop reageerde Focquenbroch met ‘Een Hollandsche vuyst­slagh, op een Brabandsche koon.’ Vergelijk:

Den Munsterschen trommelslag op den Hollandschen toon

Een Hollandschen vuystslag op een Brabantschen koon

Den Hollandtschen Viskop
Wilt tegen den Bisschop
Schuymbecken en rasen,
En tieren en blasen,
En knorren, en morren,
En kijven, en snorren,
En kauten, en praten,
Dat hy met Soldaten
Te voet en te peerde.
Te vyer en te sweerde,
De Geusen wilt dwingen,
Om reek'ningh te bringen,
Om dat se voor desen
In 't landt zijn gewesen,
En Kerken, en Dorpen
Te grond' afgeworpen,
Gehagelt, gedondert,
Geftolen, geplondert,
Met moorden en stroopen
Het Landt afgeloopen;
Met voeten, en handen
Van Boeren te branden;
De Cloosters geschonden
Als woedende honden?
En Kelck, en Cibooren
In d'asschen doen smooren
Als grimmende Urcken.
Dat noyt noch een Turcken
In Christene Landen
En deden die schanden:
De Hemelsche Spijse,
Op Kettersche Wijse
Getreden met voeten,
Ghy sult dat nu boeten!
Ghy sull'et ontgellen
Ghy boose Gesellen!
Dat stinckende Vissop
Seght tegen den Bischop:
Gaet leest u Getijen.
Gaet Vormen, en wijen.
Verkeert uwen Deggen
In Cruycen, en Vleggen.
Maer wacht u, maer wacht u!
Hy is op de jacht nu,
Hy sal u wel krijgen,
En stille doen swijgen:
U seer vremde treken
Sal hy nu wel wreken.
Hy sal u wel leeren
U leven verkeeren!
Dat spijt uwe neusen
Ghy duyvelsche Geusen,
Ghy pestige Ketters ,
Ghy Beelden verpletters
Ghy Branders, ghy Stoockers,
Ghy Nickers , Ghy Roockers
Ghy Roovers, ghy Branders,
Ghy boose Aenranders,
Ghy grijpende Poeffers,
Ghy stinckende Stoeffers
Gly dwalende Gecken,
Ghy gierige Vrecken,
Ghy bloedige Tijgers,
Ghy Waerheyt-verswijgers,
Ghy Sacken vol leugens.
Ghy valsche Geteugens
Ghy boose Rebellen,
Ghy Sathans Gesellen,
Ghy boosheydt Betrachters,
Ghy Princen Verachters,
Ghy valsche Rabauwen
Gby grijpende Clauwen,
Ghy onheyl-Beramers,
Ghy rechte Belhamers,
Ghy Roepers ghy Tierders
Ghy Kercken Schoffierders,
Ghy Roovers, ghy Capers,
Ghy Priesters-betrapers,
Ghy Geessel der Landen
Vol-on-eer, en schanden,
Ghy Fielen, ghy Schelmen
Nu moet ghy bedwelmen.
Men sal dat niet lijden,
Men sal u kastijden,
Al roept ghy genade,
Ghy komt nu te spade:
U klagen en, en kermen
Verdient geen ontfermen,
Ghy sull'et betalen
Dat: sonder te faelen;
U moorden, u hangen,
U pramen, u prangen,
U worgen,u kelen,
U rooven u steelen,
U slaen en u moorden,
U binden met koorden,
U ketens, en boeyen,
Dat sal u vermoeyen,
U picken, u stroopen,
Seer dier sult bekoopen.
Men sal u wel hebben,
En krijgen in't webben,
Wy houden goey teeckeningh,
Sa doet ons eens reeck'ningh,
Brenght over u boecken
Men salse doorsoecken,
Wy sullen't wel maken,
Naer uyt-wijs der saken:
Of doet u verschooningh
Aen uwen Heer Coningh.
Roept: Lacen, och armen,
Wilt onser ontfermen.

UYT.

Een Antwerpsche Mis-pop,
Een Swijn van den Bisschop
(Om Ravens te aesen,)
Derft hier komen raesen,
En gnurcken, en knorren,
En schelden, en morren,
En kijven, en kauten,
Met Rijmen vol fauten:
En maeckt sleghs wat veersen;
Voor Hollandtsche Neersen.
En leyt hier te singen
Van Geusen te dwingen,
Alsof meester Barendt,
Die Roovenden Arent,
Sijn grijpende pooten
In Steeden, en Slooten
Soo licht'lijck sou krijgen,
Als hy ons kan drijgen.
Neen Antwerpsche Trommel!
Al waer jy de Drommel,
En Barendt sijn Besje,
Soo sult ghy het Nesje
Van Hollandt niet stooren.
Schijt al uw Cibooren,
Daer Priesters, en Papen,
Meê speelen als Apen.
Men sal in uw Kelcken
De Swijnen noch melcken,
Wanneer ons uw landen,
Weer komen in handen.
Dan sal men u wijsen,
Wat Hemelsche spijsen
Dat Papen, en Fielen,
Soo Godloos vernielen;
Wijl sy die door 't backhuys
Sleghs senden na't kackhuys.
Als zijnd' een godtloosheyt,
Vol duyvelsche boosheyt,
Die sellefs een Heyen
Son moeten beschreyen,
En die dese blinden
Noch Christelick vinden.
Maer seght eens, ghy Uylen!
(Wiens jancken en huylen
Voor Beelden, en Poppen
Wiens suchten, en kloppen,
0p Wambais, en knoopen,
Wiens rennen, en loopen
Om Jacob sijn schelpen,
Al soo veel kan helpen,
Als of ghy de sticken
Eens vaet-doecks gingt licken)
Wat komt u doch over?
Dus langer hoe groover,
Op Hollandt te schelden?
Met vloecken, en rasen,
Ons hier te verbasen?
Ba neen doch; wy schijten
Eens in uw verwijten;
Want 't kan ons niet deeren,
Aen rock of aen kleeren.
Of ghy ons voor Ketters
Voor Beelden-verpletters
Voor Branders, voor Stoockers,
Voor Nickers , voor Roockers,
Voor Roovers , en Branders.
Komt schelden, of anders,
Ghy mooght sen die gecken
Der maersen eens lecken.
Gaet bruyt metje Trommel,
Vol Antwerps gerommel,
Indien ghy wilt kijven,
By Lepel-straets-wijven,
Waer dat ghy by Bayken,
By Jenne, of Mayken,
(Daer ghy by verkeert hebt)
Dat deuntje geleert hebt.
Het schijnt dat uw Keel is,
Als die van Broer Kneelis;
Die nimmer de Staten
Met vreede kon laten,
En altijt met schande
De Princen aenrande,
Die was in die tyen
Wel fix op't kastyen,
Op nonnen, en Queesels,
Dat lappen, en veesels,
Haer 't Aersgat afhingen:
Maer wilt ghy die dingen,
Van Barendtjes weegen,
Op ons hier doen plegen,
Soo maeck j'een collatie
(Behouwens uw gratie)
Wiens droevige botheyt
Wel toon, dat ghy sot zijt.
Want Fijn Man! al willen
De Nonnen haer billen
Dat quisplen, en streelen
Der Papen wel veelen,
Soo weet ghy wel beter,
Dat ons soo de veeter,
Door schelden, en drijgen,
Niet los is te krijgen:
Oock moocht ghy wel weeten,
Dat Hollandtsche scheeten
Uyt 't Aers-gat der Geusen,
Met Brabandtsche Neusen
Soo slecht accordeeren,
Dat ick wel derf sweeren,
Dat ghy haer uw klouwen,
Van 't gat wel sult houwen.
Des komt geen genade
Ons thans noch te stade;
Gelijck sy nae desen
Aen u wel sal wesen;
Wanneer men eer lange
U light sal sien hangen.
Wel houd dan goe teeck'ningh,
En schrijft vry die reeck'ningh
In't bladt van je balge,
En hanght 't aen de galge.
En laet in die boecken
De duyvel dan soecken
Wat quaets gh' in uw leven
Daer in hebt geschreven;
Soo sult gh' uw papieren,
Gedoemt sien ten viere,
En ghy aen den Koningh
Van Heyntje-mans wooningh
Langh roepen; Och armen!
Wild onser ontfarmen.

U Y T.

Focquenbroch zet met dit gedicht de bisschop voor schut. Het is maar goed dat hij in die tijd geen beroemd schrijver was. Het zou dan heel wat commotie teweeg brengen en dat zeker niet positief voor hem...

Verdubbelt segen-sang, der negen musen: Johannes Ulaeus schreef in 1666, naar aanleiding van het verslaan van de Engelse vloot door de Hollanders een gedicht over de dapperheid van de Hollandse krijgers. Hij liet Focquenbroch van hetzelfde lied een eigen bewerking maken. Met zijn versie wist Focquenbroch de Engelsen op een prachtige manier voor schut te zetten.
Michiel de Ruyter

De herders-sangen van Virgilius Maro: Samen met Johannes Ulaeus, die weer het serieuze werk opknapte bewerkte Focquenbroch de liederen van Virgilius Maro. Ulaeus vertaalde het stuk en De Focq mocht zijn manier van bewerken op het stuk loslaten. In de ‘oprechte Haerlemsche Saterdaegse Courant ‘van 7 augustus 1666 stond de volgende advertentie:
"Tot Amsterdam, by Johannes van den Bergh, Boeckverkooper bezyden het Stadt-huys, zijn gedruckt en worden uytgegeven: De Harder sangen van Virgilius Maro, gesongen op twee verscheyde Toonen; d'eene van I.U. d'andere door W.V. Focq. Seer vermakelijck om leesen en singen, op de nieuwe Voysen; voor de Liefhebbers van den Roomschen Maro In Octavo. Item, Zeege-tranen of Zielzuchten, door een Konincklijck gebroken en neder-geslagen Harte, uytghestort voor de Genade Troon des Alderhoogste en verschrickelijckste Godt Vertaalt door I.W.P.D. In 12."

Thalia, of geurige sang-goddin, tweede deel: Het tweede verzamelwerk van Focquenbroch. Dit deel heeft dezelfde opbouw als het eerste. De hiervoor genoemde werken zijn er dan ook in verwerkt. Het enige verschil is dat deze versie meer gedichten bevat en minder lyriek. Ook heeft Focquenbroch het eerste deel van zijn bewerking van de ‘Aeneïs’ van Vergilius in dit deel van de Thalia geplaatst. Hierover straks meer.

Min in’t lazarus-huys: Dit is waarschijnlijk het stuk waar Focquenbroch het meeste succes mee heeft behaald. Helaas heeft hij de eerste opvoering zelf nooit kunnen beleven, omdat hij bij de uitgave van het stuk in 1674 al overleden was. Het is een bewerking van ‘Los locos de Valencia’ van Lope De Vega. Het stuk werd geschreven naar aanleiding van een incident in Elmina. Een vrouw uit de omgeving, die elke dag uitgedost voorbij kwam lopen, om een Hollandse vent te ‘stricken,’ werd op een dag door 2 Belgische WIC-leden aangerand. Dit moet een behoorlijke indruk op hem hebben gemaakt. In een brief aan de Heer P.H. verontschuldigt Focquenbroch zich dan ook voor de minachtende taal in het stuk tegenover vrouwen en Belgen. Hieronder een fragment:

Ghy Troep van Juffers, en van Heeren!
Die andersins mijn slaven bend.
Ick souw schier wel derven sweeren,
Dat ghy uw Meester niet meer kendt.
Wie meendt ghy dat hier sit te kijcken?
Wie meendt ghy, dat ghy in dees Kap,
En in dees Rickel-stoel siet prijcken?
Geharnast met dees Blicke Slabb?
Ick weet wel, dat ghy noyt versinnen
Noch dencken sult met uw verstandt,
Dat ghy den Grooten God der Minnen
Hier siet in 't Lasrus-huys geplant.

Alle de wercken, eerste deel: Herdruk van het eerste deel van de Thalia.

Afrikaense Thalia, of treurige sang-goddin, derde deel: Het laatste verzamelwerk van Focquenbroch, geschreven aan de Goudkust en voor het eerst uitgegeven in 1674. Er wordt meester Fok verweten dat er in deze editie te weinig eigen werk staat. Het zijn óf bewerkingen, óf het is bladvulling door andere schrijvers. Zeker is dat de afsluitende 5 gedichten gemaakt zijn door Johannes Ulaeus. Ook staat in dit boek het tweede deel van zijn bewerking van de Aeneïs. Het derde deel hiervan is door Johannes Ulaeus geschreven en er zijn aanwijzingen dat het tweede deel ook grotendeels door hem geschreven is. Helaas is er van het vierde deel niets gekomen.

Alle de wercken, tweede deel: Herdruk van het eerste deel van de Thalia, helaas geen voorpagina te vinden.

De poëtica van Focquenbroch

De algemene opvatting van het dichten in de Renaissance was dat je was ‘uitverkoren’ om te ‘mogen’ dichten. Dit doet Focquenbroch helemaal niets. Hij is in eerste instantie dichter voor de lol. Zoals hij zelf zegt in de beginregels van zijn versie van de Aeneïs, die hij: ‘de Aeneas van Vergilius in syn Zondaegspak’ noemt:
Ik, die met harp, noch luit, noch orgel,
Maar met de pypsak van myn long,
Dwars door een verroeste gorgel,
Wel eer den stryd der Reuzen song,
‘t Geen menig prees en menig laakte,
(Hoewel hun laaken, en geprys,
My nooit een oortje ryker maakte)

Focquenbroch speelt het lied niet met een harp, of met een orgel, maar zingt het met een ruwe keel. Dit omdat hij, hoewel zijn eerdere werk (de ‘typhon’) door velen werd geprezen, met het schrijven geen cent rijker mee is geworden. Echt origineel is deze opening niet, want in 3 andere werken begint Focquenbroch met zo goed als dezelfde regels. Door deze minachtende houding tegenover het dichterschap stond hij niet hoog in het vaandel bij zijn collega’s in die tijd. Nog een feit waardoor hij aanzien verloor, was dat hij Thalia als ‘zijn’ muze beschouwde. Thalia was in die tijd een van de, als het al niet dè was, minst serieus genomen muzen. Mocht er nog een collega zijn die hem zelfs toen nog serieus nam, dan was die na het uitbrengen van het eerste deel van de Thalia wel van gedachten veranderd. Iemand die het in zijn hoofd haalt om een bundel op te dragen aan een aapje moet toch wel helemaal zot zijn! Dit aapje was Sara, Kleyn Meerkatje van me-juffrau C.S. Deze C.S. zou heel goed de eerder genoemde mevrouw van Sypesteyn geweest kunnen zijn. Hoe dan ook, Focquenbroch had het niet zo met de critici van die tijd. Het is wel duidelijk dat hij een denker moet zijn geweest. In zijn overpeinzingen komen vaak geloofsaspecten aan de orde. Kenmerkend in zijn werken is dat Focquenbroch alles wat ook maar ‘verheven’ lijkt, op zijn manier aards probeert te maken. Op die manier is elke God voor hem menselijk en dus met elke mens en daarmee met hem te vergelijken. Van de politiek moest hij ook niet veel hebben. De enige personen waar hij respect voor had waren Johannes Ulaeus, omdat hij de gave had met ieder mens, zelfs met hem, om te kunnen gaan en Michiel de Ruyter, wie hij ooit zelf heeft mogen ontmoeten. Zijn devies was: ‘Spes mea fumus est,’ wat volgens mij zoiets moet betekenen als: Het is zoals het is.

De manier van schrijven van Focquenbroch is goed te herkennen als je zijn bewerking van de Aeneïs vergelijkt met het originele stuk van Vergilius.

De personages in de Aeneïs

De goden

Focquenbroch beschrijft de goden in de Aeneïs weinig verschillend van het origineel. Ze zijn wat aardser geworden, maar de kenmerkende karaktertrekken blijven hetzelfde. Wel worden sommige eigenschappen vreselijk overdreven en vult hij de karakters aan wanneer er ruimte voor is. Zo is Aeolus zijn winden niet de baas. Vergilius benadrukt de kracht van de winden, terwijl Focquenbroch de domheid van de god Aeolus benadrukt. Dit komt, volgens Focquenbroch, omdat Aeolus met heel andere zaken druk is. Namelijk met vrouwen en eten. Als hij door Iuno, die hij wel ziet zitten, gevraagd wordt voor een etentje, is hij meteen verkocht:
Die my zo dikwils op uw beede,
Heeft aan zyn dis te gast genood;
Daar ik schier nooit weer af kwam treden,
Dan dik, en rond, gelyk een kloot.
Daar ik met tal van nectarkroezen,
En met den besten Ambrozyn,
My, vaak tot barsten van myn loezen,
Heb stom gezopen als een zwyn

In het origineel wordt dit ‘aanliggen bij goden’ als iets verhevens beschouwd, dus Focquenbroch vertaalt dit op een aardse manier als een schranspartij. Ook Vergilius zelf krijgt de volle laag. Als Focquenbroch leest dat Iuno iets heeft gehoord, maar er niet bij staat hoe en van wie, schrijft hij:

Maar juist was haar ter oore gekomen,
Ik weet schier niet op wat voor manier,
Misschien dat zy’t had leggen droomen,

Verder wordt Iuno, vol met interessante bijvoeglijke naamwoorden, beschreven als een koppig persoon. De domheid van de goden wordt op een heel doordachte manier duidelijk, als Venus zich bij Jupiter beklaagt, omdat Iuno haar heeft uitgemaakt voor een hoer:

En dat alleen, door puure boosheid,
Van een die in hun razerny,
Ons steeds vervolgd met zo veel loosheid,
Om dat ik mooi’er ben dan zy.
En die daarom wel durft gaan zweeren
Dat ik een hoer ben in myn vel;
Maar ‘k ben, God lof, een vrou met eeren,
En al de wereld kent my wel.

En al de wereld kent my wel !? Nu is Focquenbrochs bedoeling geweest dat dit een verspreking is. Er moet aan de kuisheid van de godin getwijfeld worden. Ook in de originele versie wordt de Trojaanse oorlog uitgelokt door de 2 godinnen. Maar daar beledigen ze elkaar met wat minder stompzinnige redenen zoals ‘schoonheid.’ Focquenbroch had de vrouwen niet zo hoog staan, dus moest dat nog maar even benadrukt worden.

De hoofdpersoon

Aeneas wordt in het origineel vergeleken met zijn voorganger Odysseus. Een van de belangrijkste verschillen tussen deze 2 is dat Aeneas de dapperheid en listigheid die Odysseus kenmerkten mist. Door de steun van Anchises en Venus weet Aeneas toch de goede besluiten te nemen. Focquenbroch ziet dit heel anders. Aeneas houdt hetzelfde karakter, maar door zijn onzekerheid is de hoofdpersoon een perfekt slachtoffer voor meester Fok. Zo neemt Aeneas als held zijnde het besluit dat hij met de vloot naar Carthago zal vertrekken. Als zij dan door een storm geteisterd worden, vermeldt Focquenbroch het zo:
Eneas zelf, die goeje Eneas,
Die aars op ‘t land zo dapper was,
Stond meê, terwyl hy hier op zee was,
Van schrik te lillen als een das.
Doch zonder des zich eens te schamen,
Zoo borst hy, met een naâr geluid,
Met bei zyn witte handjes zamen,
In deze droeve woorden uit:

Is de Aeneas van Vergilius absoluut niet gevoelig voor emoties, de Aeneas van Focquenbroch juist wel. Als hij een vrouw ziet vergeet hij al zijn zorgen en zet zijn beste beentje voor. Het gaat natuurlijk niet om de échte liefde, maar om de lichamelijke. Anders zou het natuurlijk te ‘verheven’ worden. Als zijn moeder, Venus, hem in de gedaante van een knappe vrouw komt informeren over de tocht naar Carthago, kan Aeneas het niet laten te zeggen:

Dat heintje pik my wel moet halen,
Zoo ‘k ooit zo hupzen deeren zag,
Gans feldrement, wat zoeter wezen!
Recht als een poppetje van was.
Wie kan u aanzien niet en niet vrezen
Zo straks verbrand te zijn tot asch!

Gelukkig heeft de Aeneas van Focquenbroch nog een raadsheer achter de hand. Namelijk Achates. Bij het werk van Vergilius speelt Achates alleen mee om te benadrukken dat Aeneas een mens is en dus sociaal contact nodig heeft. Bij Focquenbroch is Achates de persoon die de belangrijke beslissingen voor Aeneas neemt. Venus hult de beide heren in een nevel, zodat zij onzichtbaar naar Carthago kunnen gaan. Speels als Aeneas is begint hij onschuldige mensen te slaan, die nu niets terug kunnen doen:

Waar door, zo dra als hy vernam,
Dat hem zyn moeder in vizibel
(Dat is onzichtbaar) had gemaakt,
Hy vaak met vuisten, heel sensibel
(Dat is gevoelyk) heeft geraakt,
Op meenig, Karthagesche koonen:
Die in passant, en om de klucht,
Hy met zyn knokkels eens wou toonen,
Dat hy wat meerder was dan lucht.
Het welk ‘er meenig fel deed vloeken,
Om dat hy niet een mensch en zag,
Op wien hy kon revengie zoeken,
Van dees onzichtbre kinbakslag.
Eneas, die in deze geuren
Een zonderling plaiziertje nam,
Deed aan Achaat zyn milt schier scheuren,
En lachen zich schier mank, en lam.
Doch eindlyk, na zy wel ter degen
Hun vreugd hier hadden van gehad,
En wel gelachen onderwegen,
Zo raakten zy wel haast in stad

En dan te bedenken dat Aeneas de vorige dag nog helemaal overstuur op de boot zat! Die ontmoetingmet zijn moeder moet hem behoorlijk goed hebben gedaan. In Carthago aangekomen zien ze de stad in opbouw. De opbouw van de stad van Vergilius gaat zoals gepland, maar bij die van Focquenbroch natuurlijk niet. Het is een ongeordend rotzootje. Hier kijft men, daar vecht men, daar drinkt men bier. Er blijken bevelhebbers te worden gekozen door Dido, zij is de stadhouder. Het blijkt dat zij zelf alle recht spreekt, want ze kan advocaten niet uitstaan. Deze kans grijpt Focquenbroch om zijn visie over de rechtspraak te geven. Heel positief is hij niet, maar dat was te verwachten. Als de 2 mannen het paleis van Dido hebben bekeken zien ze hun manschappen, waarvan ze dachten dat ze de vorige dag omgekomen waren in de storm. Meteen enthousiast geworden wil Aeneas zich aan zijn manschappen bekend maken. Achates weet hem nog net tegen te houden:

Wat droes (riep hy) zal dit beduien;
Wy zyn ‘er by myn keel om kout,
En je zult al het werk verbruien,
Indien gy u niet stil en houd.
Hierdoor liet zich de Vorst bepraten,
En bleef zich houden op zyn plaats
En in zyn wolk (...)

Als even later Dido haar Trojaanse gevangenen mild toegesproken heeft bepaalt Achates (weer hij) dat Aeneas zich bekend moet maken. Bij Vergilius overleggen de 2 eerst, maar bij Focquenbroch wordt Aeneas beveelt. Achates heeft al ingezien dat Dido en Aeneas wel bij elkaar passen. Op de een of andere manier heeft Aeneas bij zijn mannen behoorlijk wat aanzien, want als Ilioneus, aanvoerder van de gevangenen wat tegen Dido zegt, klinkt dat warempel positief:

Want Heer Eneas, die vermaarde,
Die dappere en godvruchte held,
Wiens deugd vast langs de gansche aarde
Wordt met verwondering verteld,
Dat is, verstaje, onze koning;
Merkt hier, ik bid u, eens uit an,
Of zulks dan niet tot verschoonig,
En tot ons onschuld strekken kan?
Dido wordt smoorverliefd op Aeneas. In het origineel is dit door de wil van de goden. Een pijl van Cupido is nodig om de 2 zo ver te krijgen. In de bewerking van Focquenbroch is het meteen raak. In de liefde blijkt de niet zo nozele held prima in staat te zijn om voor zichzelf te zorgen. Vooral Venus ziet de romance zitten en verzint een list om het vooral maar door te laten gaan. Ze vreest de ‘wrok’ van de Carthagers. Allereerst moet Aeneas het uiterlijk van een God krijgen. Dat blijkt nog behoorlijk wat moeite te kosten:
Hierna wordt nog vermeld dat Aeneas na de poetsbeurt glom als ebbehout of als een pas gepoetste schoen. Nu kan hij zich dan eindelijk bekend maken. Aeneas steekt van wal. Hij heeft vreselijk veel ellende gehad, blablabla. Maar dat doet hem niets, want (en daar komt het dan):

Vermits ik door de tyranny,
Nu ‘t luk heb, aan te mogen schouwen
Zo schoone Koningin, als gy,
Die door haar toverende lonken,
Eer een godin lykt dan een mensch,
Mids ik daarvan alreeds de vonken
Kan voelen gloejen in myn pens.
En Dido is verkocht.

Erg origineel is Aeneas niet, want in een eerdere ontmoeting met een vrouw zei hij precies dezelfde woorden. Om een nog wat betere indruk te maken zegt hij dit er ook even bij:

Zo lang dan, al de waterstroomen
Zich zelfs ontlasten in de zee,
Zo lang men schauw vind by de boomen,
En zo lang drie meer is dan twee,
Ja zo lang als van ‘t kindermaken
De mode noch niet af en gaat,
Zo lang zal men met volle kaaken,
Uw lof noch zingen langs de straat.

Vooral door het ‘kindermaken,’ wekt Focquenbroch de veronderstelling dat bij Aeneas de mond overloopt waar het hart vol van is. Dido ziet dit niet in en is vreselijk onder de indruk. Ze zit:

(Verwonderd om dees schoone knaap)
Met bei haar billen op een kussen,
Te kookermuilen als een aap,
En wierp hem duizenden van lonkjes,
En vriendelyke lachjes toe,
En wierd, trots duizend tovervonkjes,
Hem aan te schouwen nimmer moe.

Dido slijmt wat terug en het kwartje is gevallen. Dit gedeelte is zo goed als letterlijk vertaald door Focquenbroch. Maar bij hem wordt het leeftijdsverschil tussen de 2 benadrukt. Als Dido verteld over wat ze allemaal van Aeneas gehoord heeft, zeg ze: ‘schoon ick toen noch kleyn was en liep speelen met een pop.’ Nu is Venus’ nadruk op het uiterlijk van Aeneas wat beter te begrijpen. Hij krijgt een actie-schilderij te zien waar hijzelf op staat. Volgens Vergilius: Temidden van Grieken. Volgens Focquenbroch:

Omzingeld van veel Griekse Heeren;
Waar onder, schoon hy in gevaar
Was, van het hagjen in te schieten,
Hy ‘t zo braaf op een hakken steld,
Dat in het Griekse bloedvergieten,
Hy wel mocht roepen haagneveld.
Commentaar is overbodig, dacht ik zo. Nu is alleen de vraag: ,,Hoe en wanneer is dit schilderij gemaakt en hoe is het mogelijk dat de bange Aeneas zo vechtend staat afgebeeld(!)? Jammer genoeg staat dit niet vermeld, misschien omdat Focquenbroch het zich hier wat moeilijk heeft gemaakt.
De Trojanen worden gevraagd te blijven eten en Aeneas laat een van zijn bemanningsleden een paar ‘kadootjes’ halen. De geschenken zijn van zware kwaliteit: Een nachthemd, de regenjas en de borstrok van Helena en de zonnewijzer van Paris. Kenmerkend voor Focquenbroch vindt Dido het laatste geschenk (een wafelijzer) het mooist. Tijdens de maaltijd komt Ascanius, de zoon van Aeneas, tevoorschijn. Door de list van Venus heeft Cupido de gedaante van Ascanius aangenomen, om een pijltje in Dido te planten. In het verhaal van Vergilius is dit nodig, omdat Dido Aeneas niet ziet zitten, maar waarom Focquenbroch dit beschrijft? De Focq redt zich uit de situatie door het daaropvolgende wat komisch te beschrijven. Dido vindt Ascanius een schattig jochie: Zo vliegt hy naer de Koningin,
Die nauwelyks zo veel geduld had,
Maar schiet zo daadlyk op hem in,
En vat, en douwt hem in haar armen,
En (slechte sloof, gelyk zy was)
Ontfangt zo in haar kronkeldarmen,
‘t Fenyn ‘t geen haar met kelk noch glas
Maar door de min wierd ingeschonken,

En dat terwijl de Dido bij Vergilius juist bekend staat als een kuis persoon! In het originele verhaal wordt Dido beschreven als een tragisch personage. Ze wordt door de goden gebruikt en ze heeft het niet in de gaten. Aeneas ondertussen heeft zijn uiteindelijke doel nog niet bereikt en piekert zich suf over hoe hij Dido in bed kan krijgen:

Zy dan, geheel als opgetogen,
Zat vast, en keek hem zomtyds aan,
Met starrende en verliefde oogen,
Die blyklyk gaven te verstaan
Het binnenste van haar gedachten,
Terwyl Eneas van zyn kant,
Vast overlei, met al zyn krachten,
Op wat voor amoureuse trant
Dat hy haar best zou onderhouwen,
En zat vast heimlyk in zyn zin,’
Kasteelen in de lucht te bouwen,
Om dat hy in de Koningin,
Gelyk hem docht, een gunst bemerkte,
Die verder als tot vriendschap ging,
Het welk zyn hoop te byster sterkte,
Die hy al reeds van haar ontfing.
Derhalven, om van zynent wegen
Zyn liefde eens net te doen vertsaam,
Dacht hem, ‘t was lang genoeg gezwegen,
En sprak haar dus, al zuchtende, aan:
O schoone!, die de doove koolen
Weer in myn boezem gloeijend maakt,
En die van ‘t hoofd of, tot myn zoolen,
My met de blikzem hebt geraakt,
Die uit uw twee bekoorlyke oogen
My neêrgeploft is op het hart.
Helaas! wat zal ik hoopen mogen
Uit dit beginzel van myn smart?
Wyl ik myn maag zit te verzaden,
En vast wat werk geef aan ‘t gebit,
Zo dunkt my, raakt myn hart aan ‘t braden,
Pas, of het aan dat zelfde spit,
Dit Kapoentje heeft doorregen:
(‘t Geen ik vast rabraak op myn bord)
Zes uuren had voor ‘t vuur gelegen,
Vermids ik puur als gloeijend word.
Ik voel vast door myn nieren kruipen,
Een vuurtje dat my schier versmelt,
Em ‘t geen my ‘t merg schier doet ontdruipen
Zo klaar gelyk als puure geld.
Ach! dat het noodlot my na dezen
De koorts eens dryven wou van ‘t lyf!
En my zo gunstig eens wou wezen,
Van u te maken tot myn wyf.
Ik zweer, dat door d’immatriculatie
Met zulk een Koninklyke vrou,
Na een gewisse impregnatie,
Dit ryk haast Princen krygen zou,
Waar van de minste zyn papatje
In schoonheid, deugd, en aardigheên,
Zo zou gelyken op een draatje,
Of ‘t uit zyn tronie was gesneên.

Helaas is dit het laatste wat door Focquenbroch en/of Ulaeus is geschreven. Ik kan al vast wel verklappen dat het verhaal een slechte afloop heeft!

Conclusie

Het mag duidelijk zijn dat Willem Godschalk van Focquenbroch geen alledaags persoon was. Hij was zeer omstreden. Niet alleen gezien zijn gedichten, maar zeker ook gezien zijn leven. Van welke ‘beroemde’ schrijver uit de Renaissancetijd is er nu geen geboorte en sterftedatum te vinden? Van welke poëet is onmogelijk een plaatje te vinden, waar hij zeker weten op staat? En welke schrijver daarvan wordt zelfs nu nog gelezen? Nou, niet zo heel veel! Focquenbroch was niet de persoon die het burleske genre introduceerde, zoals veel mensen denken, maar hij was degene die het genre uitbreidde en zorgde dat het in heel Nederland bekend werd. Hoewel Focquenbroch vroeger als een losbol werd beschouwd (geef ze eens ongelijk), wordt hij tegenwoordig meer gezien als een onhandige schrijver die zichzelf steeds weer tegenspreekt. Zo zie je maar dat meester Fok in veel punten op zijn tijdgenoten voorliep...

Bronvermelding

Microsoft Encarta ’98 CD-ROM
Homepage Jan Helwig Internet
A.M. Beekman: The crippled heart, An introduction to the life, times, and works of W.G.V. Focquenbroch. Boek (uitgegeven in 1997)
Rijksmuseum (schilderij) Internet
In Liefde Bloeiende (Gerrit Komrij) NRC Handelsblad
The Ancient Greeks and Romans: Virgils Aeneïs (plaatjes) Internet
W.F. Hermans over het werk van Focquenbroch Bloemlezing
De Koninklijke Bibliotheek Email
Het achterwerk van Vergilius (Inge Bakker) Scriptie
Terug Opnieuw zoeken