Begrippenlijst havo domein: natuur en milieu volgens de nieuwste eisen voor CSE 2004 + 2005 LET OP: Dit verslag is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel bij het maken van je eigen verslag en niet om zomaar in te leveren bij je docent(e). Subdomein 1: ontstaan en veranderingen in het Nederlandse landschap.Aardkundige waarden = mooie en zeldzame geologische verschijnselen en processen, reliëfvormen en bodemprofielen in ons landschap. We moeten ze bewaren, vooral voor de volgende generaties en niet laten “weg bulldozeren”. Er zijn in Nederland ongeveer 1000 bijzondere kleine landschapseenheden te beschermen. Voorbeelden : pingo*, donk, oude getijdengeulen, zandverstuivingen. Corridor = verbindingsweg tussen kerngebieden* (zie eilandtheorie). Cultuurnatuur = zo noemen we de natuur zoals we die tegenwoordig ‘maken’. In de duinen mag de wind weer stuifgaten maken, sommige gebieden zetten we weer onder water, hier en daar laten we de zee weer toe in de duinen. Vooral onder leiding van Staatsbosbeheer (om over na te denken: kan men in 10 jaar een hoogveengebied ‘maken’?). Diversiteit ( hier biodiversiteit) = de soorten planten en dieren in een ecosysteem*. Draagfunctie = de grond en de ruimte die nodig zijn voor alle ruimtelijke activiteiten (gebouwen, pretparken) en hoe kan de grond en ruimte hiervoor geschikt gemaakt worden. Wat is de draagkracht van een bepaald gebied? Duidelijk is dat de ondergrond van een zandbodem steviger is dan die van een veenbodem voor de bouw van een hoge watertoren. Maar er zit ook iets in van verdraagzaamheid: verdraagt het landschap een grootschalige ingreep als een pretpark of een groep wolkenkrabbers? Duinlandschap (een van de 6 hoofdlandschappen) Je hoeft alleen de elementen te kennen die vermeldt staan op de kaarten 15 C+D van de 51e druk of de kaarten 19 C+D van de 52e druk van de Grote Bosatlas.Kijk nu. Ecologische Hoofdstructuur (EHS) = een ideaal beeld van de overheid over de verspreiding en aansluiting van natuurgebieden in Nederland, zodat we een gezond ecosysteem* krijgen. Bij die aansluitingen van onze verbrokkelde natuurgebieden smokkelen ze natuurlijk ook stukken mee die geen “natuur”zijn, zoals de bermen van spoorlijnen en autobanen. Toch hebben we deze verbindingen nodig. Dieren kunnen zo op zoek naar voldoende voedsel en naar soortgenoten om zich voort te planten. Hoe groter de aantallen soorten Þ hoe groter de lust voor oog en oor Þhoe beter de kwaliteit van de natuur. Bijnaam voor de EHS: ons groene wegennet. Denk ook aan de eilandtheorie met de kerngebieden* en corridors*. Ecosysteem = een ruimtelijk systeem waarin tussen de levende( dieren en planten) en niet-levende (lucht, water en bodem) onderdelen bepaald wordt welke planten en dieren er leven en kringlopen op gang brengen die met elkaar in evenwicht zijn. Voorbeelden : tropisch regenwoud en de Waddenzee. Ecotoop = ecologisch gebied met unieke kenmerken en met duidelijke grenzen, dus als het ware een klein stuk landschap die je op een kaart kunt aangeven (houtwal, sloten). Eilandtheorie = hoe groter de afstand is van een eiland tot het vasteland, hoe minder soorten er op het eiland voorkomen. Belangrijk is dus de bereikbaarheid. Redenen 1ste voor nieuwkomers: beste leefgebieden al ingenomen. 2e oude soorten kunnen uitsterven. 3e geen grote aantallen van 1 soort, dus grotere kans op uitsterven. 4e nieuwe soorten kunnen door de afstand het eiland moeilijk bereiken. Op een kleine oppervlakte komen in de natuur dus minder soorten voor. Op een eiland ga je niet onder in de massa. In Nederland versnipperen we vaak een natuurgebied dus gaat meestal de diversiteit achteruit. Zie ook corridor* en kerngebied*. Esdorp = dorp op de zandgronden met de boerderijen rondom een brink( open ruimte of watertje) en opgebouwd uit 3 onderdelen: es gronden=met mest opgehoogde oude akkerbouwgronden, groengronden= veeteeltgebied rondom de riviertjes en het veld= woeste grond, vroeger voor de schapen, bijen en de plaggen. Ontbreekt 1v/d 3 elementen dan spreken we van een incompleet es dorp. Functie = taak die door het milieu vervuld wordt voor de samenleving. Van de onderwijs minister moet je de volgende 4 kennen ( en in oude eindexamens over de Nederlandse landschappen zijn ze vaak gevraagd): draag*-productie*-, informatie*- en regulatiefunctie*. Gradiënt = de overgang van het ene naar het andere gebied. Meestal gaat dit in Nederland geleidelijk en vinden we er allerlei zeldzame verschijnselen, omdat in heterogeen gebied (dus met meerdere gradiënten) meer soorten voorkomen dan in een homogeen( plat, vlak) gebied. De belangrijkste gradiënten zijn: hoogÞlaag, droogÞnat, voedselrijkÞvoedselarm, kalkrijkÞ kalkarm, zoetÞzout. Pas op: in vroegere eindexamens werd hier vaak over gevraagd. ( zie ook grensmilieu*). Grensmilieu = geleidelijke overgang tussen 2 ecosystemen, waar de diversiteit hoog is ( zie: gradiënt*). Hoogveen = organisch materiaal, boven de grondwaterspiegel, dat alleen via het regenwater vocht ontvangt. Holoceen = (de periode van ongeveer 10.000 jaar geleden tot nu).Warmere periode, zeespiegelstijging en dus andere begroeiing: van toendra Þ naald - en loofbomen en veel veen. Informatiefunctie = wat vertelt het landschap ons en hoe kun je het aardrijkskundig ‘lezen’ (voorbeelden: 1e: hoe hoger een es, hoe langer de mensen hier natuurlijke mest op gestrooid hebben 2e bij een rivier gingen de mensen hun dorp of stad bouwen in de buitenbocht, daar waar de rivier het snelst stroomde en dus het beste voor het vissers – of handelshaventje). Kavelvormen ![]() Kerngebied = in dit gebied vindt vooral de voortplanting plaats. Komgronden = laaggelegen gebied tussen de rivieren, bestaande uit zware klei. Kwartair: de jongste geologische periode met als onderverdeling: het Pleistoceen* en Holoceen*. Landinrichting = Na 1985 veranderden de ruilverkavelingwetten* in landinrichtingswetten. Hierin sluiten boeren vaak beheersovereenkomsten met natuurverenigingen. We vinden natuur en recreatie in de landschappen steeds belangrijker. Löss/Krijt landschap (een van de zes hoofdlandschappen) Je moet alleen de elementen kennen die staan op kaart 15A+B van de 51e druk en kaart 19A+B van de 52e druk van de Grote Bosatlas. Oeverwallen = ruggen langs de rivier bestaande uit zand. Ontstaan door sedimentatie bij overstromingen. Pingo = ( uit Eskimo -taal) rond meertje, gevormd doordat een achtergebleven ijsblok een gat in het landschap ‘smolt’ (je krijgt ook brandwonden bij extreme kou). Pleistoceen = het tijdperk van de ijstijden, van ongeveer 2.000.000- 10.000 jaar geleden. Onderverdeling : pre -glaciaal, glaciaal (Saalien*) en post -glaciaal. (Weichselien*). Productiefunctie = wat levert ons de natuur: aan de oppervlakteÞvoedsel, in de diepteÞdelfstoffen, in de hoogte Þ zuivere lucht. Regulatiefunctie = is het evenwicht in de natuur goed geregeld en volgen de kringlopen hun natuurlijke wetten. Als dit niet het geval is dan komen er teveel reigers in Amsterdam, teveel brandganzen op het Wad en wordt het gat in de ozonlaag te groot. Rivierkleilandschap (een van de zes hoofdlandschappen) Leer alleen de dingen die staan op de kaarten 18A+B van de 51e druk en de kaarten 22A+B van de 52e druk van de Grote Bosatlas. Ruilverkaveling = (wet 1924) was vooral ruilen van grond tussen boeren om zo de versnippering hiervan tegen te gaan. Het landschap werd nogal rechtlijnig ingericht, want de belangen van de boeren stonden bovenaan. Saalien = ijstijd, 150.000 jaar geleden, met maximale landijsuitbreiding over half Nederland. Schaalvergroting = hier: de diversiteit* wordt verkleind! door bijvoorbeeld vervlakking*. Schaalverkleining = hier: activiteiten om de diversiteit* te vergroten! door bijvoorbeeld herstel van natuurlijke waterlopen, ontpoldering, weer nat laten worden van land, cultuurnatuur enz. Stuwwal = ontstaan door de kracht van het landijs (Saalien). Het zijn opgestuwde heuvels, vroeger tot 200 meter, nu tot ongeveer 100 meter. Ze bestaan uit (de basis) pre -glaciaal zand en grind, zijn in de genoemde ijstijd gestuwd en vervolgens vervormd en in hoogte verkleind in het post –glaciaal (Weichselien) en Holoceen. Terp = kunstmatig, voortdurend opgehoogde heuvel om droge voeten voor mens en dier te houden voor steeds rijzende zeespiegel in onze zeekleigebieden. Uitputting= het te snel opmaken van natuurlijke hulpbronnen( we halen dus in hoger tempo dingen uit de natuur dan dat ze aangevuld kunnen worden). Veen landschap (een van de zes hoofdlandschappen) Let alleen op de elementen op de kaarten 18 C t/m F van de 51e druk en de kaarten 22 C t/m F van de Grote Bosatlas. Bestudeer ze nu. Vervlakking = het Nederlandse landschap wordt vlakker gemaakt, eentoniger, homogener, voller etc.(door ruilverkavelingen, stadsuitbreidingen etc).Tegengas: bloeiende verenigingen zoals Natuurmonumenten, Greenpeace, Waddenvereniging etc. Weichsel = laatste ijstijd, 110.000- 10.000 jaar geleden. Geen ijs over Nederland, wel kou en wind Þ dekzand en we hadden hier een toendraklimaat. Wiel = diepe, ronde plas, ontstaan omdat hier eens een dijkdoorbraak was. Zandlandschap (een van de zes hoofdlandschappen) Leer alleen de elementen vermeldt op de kaarten 16 A t/m F van de 51e druk en de kaarten 22 A t/m F van de 52e druk van de Grote Bosatlas. Zeekleilandschap (een van de zes hoofdlandschappen) Concentreer je op de gegevens van de kaarten 17 A t/m F van de 51e druk en de kaarten 21 A t/m F van de 52e druk van de Grote Bosatlas! Subdomein 2 Werking en gebruik van het natuurlijk milieu, dus de milieugebruiksruimte en de duurzame ontwikkeling. Aantasting = afname van de kwaliteit van de natuur en landschappen ( kan op 5 niveaus*). Hoort bij de begrippen uitputting* en verontreiniging*. Beheersgebied = een gebied waar de boeren betaald worden voor het in stand houden en verbeteren van natuur – en aardkundige* waarden. Bodem = bovenste deel van de aardkorst, waarin planten wortelen. Er kunnen allerlei veranderingen in plaatsvinden. Negatieve: erosie, verzilting, verdroging en verarming. Deze negatieve veranderingen moeten we tegen gaan om deze unieke hulpbron te behouden. Cultuurnatuur* = zie subdomein 1. Ecologische voetafdruk = de oppervlakte aarde die nodig is om te voorzien in de levensstijl van een persoon, stad of land. Het is een manier om de milieugebruiksruimte* per persoon of per land uit te drukken. Volgens de minister moet je op het examen met bepaalde programma’s kunnen werken, dus kijk in je boek of surf naar bijvoorbeeld: www.voetafdruk.be. Ecotoop* = zie subdomein 1 Duurzame ontwikkeling = de samenleving moet er voor zorgen dat er ook voor de toekomstige generaties nog voldoende voorraden zitten in de gereedschapskist van MOEDER AARDE. ( dus bomen kappen = bomen planten). Zuivere lucht, aardolie, zoet water van Spa kwaliteit, open ruimtes enz, enz zijn schaarse artikelen, we moeten er zuinig mee omgaan en ze mogen absoluut niet in kwaliteit achteruit gaan. En ecotoerisme is beter voor het milieu dan massatoerisme. Global warming = de langzame opwarming van onze aarde ( de één zegt dat de computerberekeningen dit absoluut aantonen, de ander bestrijdt dat). Kyoto, verdrag van (1997) = hierin zijn afspraken gemaakt dat rijke industrielanden de uitstoot van broeikassen zullen terugdringen en wel in 2010 zou dit 5,2 % minder moeten zijn dan in 1990.Vooral de reductie van CO2 wordt aangepakt. Hoe? 1 CO2 opname door planten en bossen mag je aftrekken van je uitstoot. Geldt ook als je bossen plant in een ander land. Slim, rijk Nederland doet dit in arm Roemenië. 2 de rijke landen gaan de arme landen helpen bij de ontwikkeling van schone energie. Angstbeeld: wat gebeurt er met het milieu als alle Chinezen gaan autorijden? En nu de huidige situatie: USA wil Kyoto niet ondertekenen en dus ook de Japanners niet! En nu de Russen ook niet tekenen is het hele verdrag waardeloos. Milieu gebruiksruimte (MGR)= het benutten van de natuurlijke hulpbronnen zonder ze aan te tasten of uit te putten. De ruimte bestaat uit 4 onderdelen: landbouwgrond, zoet water, energie en niet - vernieuwbare grondstoffen. MGR in arme landen = vaak moeten ze één van de 4 bovengenoemde onderdelen gebruiken voor de rijke landen. Die krijgen dan een grotere mgr, terwijl de arme landen dan een kleinere hebben. Denk aan: in het arme land wordt hun, vaak betere, landbouwgrond gebruikt voor de teelt van luxe groenten voor rijke landen en dan kan er te weinig grond over blijven voor hun eigen voedselteelt. Schaalniveau = volgens de onderwijsminister moet je op 5 niveaus kunnen denken 1 lokaal -> rondom je huis en school 2 regionaal -> in je regio, hier spelen vooral in het milieu: vermesting, verdroging, verzilting en verspreiding. 3 continentaal -> vooral verschijnselen in de atmosfeer zijn hier belangrijk. 4 mondiaal -> vooral de toe – en afname van de zonnestraling. 5 fluviaal (stromen) -> deze gaat letterlijk en figuurlijk door de andere 4! Stroomkarakter = je moet de hulpbronnen kennen met een stroomkarakter (wind, water, zonnestraling), die dus altijd door blijven stromen en stralen en niet uit te putten zijn. Technologische ontwikkelingen = de techniek is aan de ene kant in staat om schonere, efficiëntere, zuiniger apparaten te ontwikkelen, aan de andere kant nemen al deze apparaten te samen (PC!) steeds meer stroom (opwekking hiervan = vaak vervuilend). Uitputting = het te snel opmaken van de grondstoffen. Hoort bij aantasting* en verontreiniging*. Verdroging = het dalen van de grondwaterspiegel. Vermesting = de aanvoer van voedingsstoffen ( door menselijke activiteiten) is groter dan de afvoer ( door de natuur). Verontreiniging = er wordt meer afval in het milieu gebracht dan de natuur kan verwerken (dit gaat op 5 schaalniveaus*). Verstoring van het ecologisch evenwicht. Let op: van de minister hoef je alleen iets te weten van de Nederlandse ecotopen: de verdroging*, vermesting* en verzuring* in ecotopen als bossen, heide en hoogvenen, vennen, laagveenmoerassen, rivieren, beekdalen en duinen! Verzuring = stijging van de zuurgraad in het milieu. Komt door overdosis aan zuurvormende stoffen, gemaakt door de mens. Voorraadkarakter = er zijn hulpbronnen met een voorraadkarakter (olie, gas, steenkool), ze kunnen dus opraken Þ uitputting* Welvaart = duidelijk is geworden dat bij toenemende welvaart de productie en consumptie gaan toenemen en de druk op het milieu groter wordt. Zoet water = je moet van de minister maatregelen kennen om de gebruiksruimte van zoet water te vergroten. Je moet dan kijken naar de vernieuwbare bronnen in eigen land (neerslag), de vernieuwbare bronnen uit het buitenland (rivieren) en de niet vernieuwbare bronnen (wateropslag in de bodem). We leven in een tijd dat het zoete water van Spa kwaliteit van alle kanten bedreigd wordt. Is over niet al te lange tijd alleen nog water in flessen te krijgen? Subdomein 3 Veranderingen door mens en natuur op het milieu op lange termijn. Laatste nieuws: dit subdomein wordt in 2004 en 2005 niet getoetst op het c.e. Dus ook geen begrippen bij dit grote onderdeel! |
||||
|