Print dit verslag
    Stuur door naar vriend(in)
Info verslag
Auteur: Kustermans, Paul
Verslagtype: Uittreksels
Literatuurtype: Geen
Maker: Bekend
Taal: Nederlands
Vak: Nederlands
Commentaar:
Cijfer:
Beoordeling scholier:  (6 stemmen)
Beoordeling docent: GoedGoedGoed
Aantal keer bekeken: 1042
Relevante documenten
Beoordeel dit verslag
slecht
matig
voldoende
goed
uitmuntend
Nederlands

Kustermans, Paul
Floris en Belle

LET OP: Dit verslag is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel bij het maken van je eigen verslag en niet om zomaar in te leveren bij je docent(e).


Paul Kustermans: Floris en Belle
Uitgeverij Altoria Averbode, 2000

Samenvatting:
Het verhaal handelt over Floris De Bruggeling, de zoon van een Brugse lakenkoopman, zijn vader was een welgestelde man en Floris ging dan ook naar de Latijnse school. Floris had een aanleg voor dichten, maar de sfeer in de rederijkerskamer vond hij te strikt. Op een dag ontmoette hij Pieter, een straatboefje. Hoewel Floris wist hoe gevaarlijk Pieter voor hem kon zijn, straalt hij iets uit wat Floris aantrok. Hij ging geregeld met Pieter mee naar een halfdonkere, smerige kroeg, die heel toepasselijk ‘Vossenhol’ heette. De ruwe wereld van dronkaards, dieven en messenvechters fascineerde hem.Pieter leerde Floris de knepen van het vak, hij leerde Floris hoe hij het best een beurs kon ontfutselen en Floris stal ook van zijn vader. Op een dag besliste zijn vader dat het tijd werd dat hij de koopmanstiel leerde in plaatst van eeuwig rond te hangen. Zo kwam Floris op kantoor terecht. Jacob Dekeyser nam zijn zoon mee naar het huis van messire Van Ghistele, daar zag hij het meisje van zijn dromen. Het bezoek zelf werd een succes, messire Van Ghistele was dol op Floris zijn liedjes en gedichten. Maar Floris gedachten bleven bij het meisje. Hij wist met absolute zekerheid dat in heel Vlaanderen geen tweede meisje te vinden was als zij. Hij schreef de vreemdste gedichten voor haar. Haar gezicht achtervolgde hem. Hij zocht wanhopig naar haar, hij praatte met de bakker, de groenteboer maar geen van hen had haar gezien. Uiteindelijk gaf hij het zoeken op. Hij zou nooit haar naam kennen maar in zijn gedichten noemde hij haar Belle.Hij zocht meer en meer Pieter op, zong nieuwe zelfverzonnen zotterij en kwam steeds dronken thuis. Op een dag nam zijn vader hem mee naar de jaarmarkt van Amiens, maar op de 3de dag van hun reis werden ze overvallen, Floris nam het touw in eigen handen en dreef het paard in de richting van het gevecht, maar het paard steigerde en Floris hield er een pijnlijke schouder aan over. Hij verbleef in een watermolen terwijl zijn vader verder reisde naar Amiens. Terug in Brugge stuurde zijn moeder hem naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk met een waskaars, daar zag hij zijn Belle terug, ze was een kloosterzuster geworden. Ze zagen elkaar telkens terug in de kerk, elke keer verdronken ze in elkaars ogen. De 4de dag gaf hij haar een strookje papier, met daar op; “Zet een kaars voor je raam vannacht, zodat ik weet waar je op me wacht.” Maar die nacht werd Floris opgepakt, zodat hij niet bij Belle kon geraken. De volgende nacht brandde Belle weer een kaars, en die nacht klom Floris over de muur en was hij voor het eerst dicht bij zijn Belle. Ze besloten om samen te vluchten. Floris wist dat hij in Brugge niet meer veilig kon zijn als Pieter gevangen werd zou hij ook opgehangen worden. Hij regelde alles voor hun verre vlucht. Hij stal geld van zijn vader en samen vertrokken ze richting Damme. Ze trokken van dorp tot dorp, van herberg tot herberg, en overal zorgden ze ervoor dat ze nadrukkelijk vertelden waar ze naartoe reisden om dan ’s anderendaags een totaal andere richting uit te gaan. Valse sporen die achtervolgers op een dwaalspoor moesten brengen. Want dat messire Van Ghistele zijn mannen achter hen zou sturen, daar twijfelden ze geen ogenblik aan, de schande voor de familie was immers te groot. Een jongen die hun dochter uit het klooster schaakte was onaanvaardbaar. Maar toch genoten ze van de reis. Ze leefden van dag tot dag. Ze waren nu aangekomen aan de zee. Vlak voor het vissersdorpje Oostduinkerke kwamen ze op een erf tussen 2 plaggenhutten, waarvan ze een kochten en daar een tijdje verbleven. Maar toen de winter kwam opzetten werd Floris met de dag onrustiger. Maar Floris had een plan. Hij bood zich aan als hofpoëet bij Graaf d’Ansecoeur. Ze verbleven op een kleine zolderkamer, dat werd hun winterresidentie.Daar kregen ze vele ruzies, Floris bleef opzettelijk langer weg en Belle zat dan alleen op het zolderkamertje. De ruzies zorgden voor een breuklijntje in hun relatie, een lijntje dat bij elke ruzie alsmaar groter werd en nooit meer ongedaan kon gemaakt worden. Toen de sneeuw langzaam wegsmolt en de lente eindelijk weer over het land kwam, besloten ze dan ook om weg te gaan. Ze trokken naar Gent, hoewel dat net zoals Brugge een beetje het hol van de leeuw was. Ze huurden een armzalige wevershut. Sindsdien kwamen er opnieuw dagen dat ze ruzieden en nukkig naast elkaar doorliepen.Het voelde alsof er binnen hem iets kapot was gegaan, iets wat nooit meer hersteld kon worden en ook Belle had hetzelfde gevoel, het gevoel van met zijn tweeën troosteloos alleen te zijn. Ook in Gent was er een rederijkerskamer ‘Sint-Barbara’ waar Floris veel vertoefde. Op een van de avonden kwam hij Pieter tegen, ook hij bleek gevlucht te zijn uit Brugge. Hij overhaalde Floris om opnieuw als beurzensnijder aan de slag te gaan. Ze planden een laatste slag, want Floris wou geld hebben om voor zijn Belle een echt parelsnoer te kopen. Maar ze werden betrapt, Pieter werd gevat. Als hij gemarteld werd zou hij zeker Floris verraden. Terug thuisgekomen vertelde hij Belle alles wat er in zijn leven gebeurd was voor hij haar leerde kennen. Hij vertelde ook wat hij die avond gedaan had en dat ze niet meer veilig zouden zijn in Gent. Hij liet zijn andere kant zien, zijn duistere kant. Pieter werd opgehangen en daar wilde Floris absoluut bij zijn. Toen ze naar huis terug keerden merkten ze een kennis van Belle’s vader op. Hij zocht haar dus nog steeds. De volgende ochtend ging Floris op onderzoek. Maar hij liep de notaris, waar hij ingebroken had samen met Pieter, tegen het lijf. Om te kunnen ontsnappen aan de baljuw tekende hij voor het leger van Karel de Stoute. Hij kon geen afscheid meer nemen van Belle. Belle stapte opnieuw in het klooster. Nu zou ze enkel nog verdriet kennen . En Floris beleefde zijn gevecht in Lotharingen. Het enige wat vast stond was dat er nooit nog een andere vrouw zou zijn. Stilletjes begon het weer te sneeuwen en die sneeuw dekte de wereld en de dromen dicht.

Samenvatting historische feiten ten tijde van het besproken verhaal:
In de loop van de 15de eeuw is de Bourgondische Staat uitgegroeid tot de meest vooraanstaande van West-Europa. Filips de Stoute regeerde tot aan zijn dood in 1404. Hij werd opgevolgd door Jan zonder Vrees, die in 1419 op wrede wijze werd vermoord door aanhangers van de Franse koning. Hierna volgde het langdurige bewind van Filips de Goede, die Bourgondië door gebiedsuitbreidingen, een slimme politiek en zo nodig bruut geweld tot een der belangrijkste Europese staten maakte. Aan het einde van zijn leven verloor Filips aan invloed en nog voor zijn dood in 1467 had zijn zoon Karel de Stoute feitelijk de touwtjes in handen. Karel voerde een offensieve en expansieve politiek Hij was een impulsief vorst, die geen enkele diplomatiek kwaliteiten bezat. Hij beschouwde zich als vorst bij Gods genade. Door de vele oorlogen werd de belastingsdruk sterk verhoogd. Op 5 januari 1477 sneuvelt hertog Karel de Stoute van Bourgondië in Nancy bij een confrontatie met het opstandige Lotharingen.

Op 15 juni 1467 overleed hertog Filips de Goede in de stad Brugge. Hij lag drie dagen lang opgebaard, zodat iedereen die dat wilde afscheid van hem kon nemen. De dag na zijn dood hield men een processie naar Sint-Donaas om te bidden voor de ziel van hertog Filips, waarvan de twee volgende regels getuigen:
Op 17 juni 1467 droeg men het lichaam van hertog Filips naar de kerk van Sint-Donaas. De colleges en vele prelaten gingen voor in een fraaie rouwstoet. Er waren vele mensen die gesluierd waren en ieder had een brandende fakkel in zijn hand, en aan elke fakkel en om hun nek hing het geschilderde wapen van de vorst. Er was een grote menigte bijeen. Het dode lichaam werd gedragen door vier voorname heren en veel herauten gingen voor het lijk uit. Boven het lichaam spande men een gouden kleed en op het lichaam lag een gouden laken waarop een gouden zwaard rustte. Toen het lichaam in de kerk gebracht was, werd het begraven voor het hoogaltaar in de Sint-Donaaskerk in Brugge. Er werd grote rouw bedreven, wat begrijpelijk was want Filips was een vrome en goede vorst geweest en had lange tijd geregeerd.
Groots waren de feesten die in 1468 ter gelegenheid van de bruiloft van Karel de Stoute en Margareta (Margriete) van York werden gehouden. De grote intocht in Brugge, schitterend de uitgebeelde taferelen, en overdadig de banketten die dag na dag werden gehouden. De ridderschap toonde haar trots in de steekspelen die werden gehouden. De Europese adel was in groten getale naar Brugge gekomen, en de bevolking zag iets wat nog nooit was vertoond.
De veertiende eeuw, voor Brugge en Vlaanderen een periode van crisissen, opstanden, epidemieën, politieke onrust en oorlogen, eindigde met de dynastieke versmelting van Vlaanderen met Bourgondië. Vanaf 1384 begon de Bourgondische tijd voor Brugge. De stad bleef nog een eeuw lang het belangrijkste internationale handelscentrum ten noorden van de Alpen. De lakenproductie werd gedeeltelijk vervangen door luxegoederen, diensten in het bankwezen en kunstambachten. Het Bourgondische hof zorgde voor een sterke plaatselijke koopkracht. Die werd nog in de hand gewerkt door de buitenlandse kooplieden met hun internationale contacten van Portugal tot Polen. De welvaart steeg, reizigers kwamen onder de indruk van de weelde en de luxe in het stadsbeeld. In de 14de eeuw stond zij haar leidersrol af aan Gent. Het verval van Brugge begon zich duidelijk af te tekenen tijdens de periode van de Bourgondische hertogen (15de eeuw). De stad ondervond ernstige concurrentie van Antwerpen en kreeg meer en meer last van de verzanding van het Zwin.

Kunst en cultuur bloeiden als nooit tevoren.De rederijkerskamers zijn in het begin van de vijftiende eeuw in Vlaanderen onder Franse invloed uit kerkelijke of geestelijke broederschappen ontstaan. Deze gezelschappen legden zich toe op het schrijven van poëzie en toneelstukken. Onder naam ‘cameren van rhetorica’ of rederijkerskamers zou men dan officieel erkende gezelschappen verstaan met door de stedelijke regering goedgekeurde statuten, en in de verschillende plaatsen ongeveer op gelijke wijze ingericht. Deze vormen de kern van den rijken liederschat, die ons uit de vijftiende en zestiende eeuw bewaard is, en die ons leert hoe in Vlaanderen en Brabant vooral, maar ook wel in Noordelijker streken, de gehele bevolking stem en oor had voor den zang.


Historische kritiek: na vergelijking van de geromantiseerde versie met de officiële geschiedschrijving:
A. historische onmogelijkheden
Vonnissen werden in de volle openbaarheid voltrokken om als afschrikwekkend voorbeeld te dienen. Maar in de praktijk was een terechtstelling veelal een bron van publiek vermaak. Bij herhaalde diefstaf werd een stuk van het oor afgesneden, het waarschuwde de burgerij ‘deze man heeft gestolen en is niet te vertrouwen’.
- Doodstraffen en lijfstraffen kwamen, in afwijking van wat vaak wordt verondersteld, in de Middeleeuwen weinig voor. De dader kon zijn schuld door het betalen van een zoenoffer (afkoping) gevrijwaard blijven van straf. Bij de opsporing van misdadigers werd behalve van de weinig succesvolle oproepen aan de dader om zich aan te geven, gebruik gemaakt van de medewerking van de bevolking die verplicht was om misdadigers aan te geven. Ook werden er beloningen uitgeloofd. Een voortvluchtige doodslaan werd niet bestraft.- Gevangenisstraffen kwamen bijna niet voor. De meest voorkomende straffen waren boetedoening door het maken van een pelgrimstocht en verbanning

B. historisch juiste beschrijvingen of personen
- De rederijkerskamer ‘ De Heilige Geest’ te Brugge heeft werkelijk bestaan.
Anthonis De Roovere die wel eens vermeld wordt in het boek, leefde in die tijd waarin het verhaal zich afspeelt. Namelijk van 1430 tot 1482. Anthonis De Roovere was een rederijker, dat wil zeggen dat hij lid was van een rederijkerskamer - die van Brugge heette de Heilige Geestkamer - en dat hij typische rederijkersgedichten schreef, namelijk refreinen en rondelen. Zoals in het boek beschreven wordt hoe Floris dat doet.
- Karel de Stoute trouwde met Margareta van York in Damme.
- laatmiddeleeuwse Brugge, een stad in volle ontwikkeling met een levendige internationale handel en een bloeiende kunstnijverheid. De aanwezigheid van het rijke Bourgondische hof stimuleerde het kunstleven.
- Vanuit Brugge werd onder andere het beroemde Vlaams laken geëxporteerd, een kwalitatief hoogwaardige wollen stof, waarvan Brugge het enige privilege bezat om als stapelplaats te mogen fungeren. Dit betekende dat al het Vlaams laken uitsluitend vanuit Brugge uitgevoerd mocht worden. Dit was vooral voor de belastingopbrengsten erg gunstig, want Brugge mocht belasting heffen over het geëxporteerde Vlaams laken.
- De landheer die de stadsrechten verleende benoemde zijn vertegenwoordiger in de stad , de ‘ baljuw’ of ‘ Drost’ in de grotere steden.De baljuw regelde het bestuur van de stad.
- Op 15 juni 1467 overleed hertog Filips de Goede in de stad Brugge. Hij lag drie dagen lang opgebaard,
zodat iedereen die dat wilde afscheid van hem kon nemen.Er werd grote rouw bedreven wat begrijpelijk
was want Filips was een vrome en goede vorst geweest en had lange tijd geregeerd.
- Karel voerde een offensieve en expansieve politiek. Op 5 januari 1477 moest hij dit met de dood bekopen op het slagveld van Nancy
Terug Stuur je eigen verslag op Opnieuw zoeken