Print dit verslag
    Stuur door naar vriend(in)
Info verslag
Auteur: Elsschot, Willem van
Verslagtype: Uittreksels
Literatuurtype: Literatuur
Maker: Bekend
Taal: Nederlands
Vak: Nederlands
Commentaar: -
Cijfer: 7
Beoordeling scholier:  (3 stemmen)
Beoordeling docent: GoedGoedGoed
Aantal keer bekeken: 2465
Relevante documenten
Beoordeel dit verslag
slecht
matig
voldoende
goed
uitmuntend
Nederlands

Elsschot, Willem van
Kaas

LET OP: Dit verslag is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel bij het maken van je eigen verslag en niet om zomaar in te leveren bij je docent(e).

Boekgegevens

Titel: Kaas
Auteur: Willem Elsschot (pseudoniem van Alfons de Ridder, 1882-1960)
Naam van de Uitgever: Wolters Noordhoff
Plaats waar de uitgever is gevestigd: Groningen
Jaartal eerste druk: 1933
Jaartal en druk die jij hebt gelezen: druk onbekend, 2002 (Grote Lijsters 2002)
Aantal bladzijden: 106 bladzijden
Motto: Aan Jan Greshoff

Ik luister zwijgend naar die stem
die hijgt en hees is, maar vol klem,
die in mineur zingt bij ‘t verwensen
van ‘t alledaagse in de mensen.

Ik volg de hoeken van die mond,
een kwalijk toegegroeide wond
doe alles uitdrukt, als hij lacht,
wat hij zo fel in woorden bracht.

Hij heeft een vrouw en kroost en vrinden,
hij heeft een hele hoop beminden
waar hij plezier aan heeft als geen.
Toch staat Jan Greshoff heel alleen.

Hij zoekt en kijkt, hij hoopt en wacht
Van d’ ene nacht tot d’ andere nacht.
Hij hoort iets en komt overeind:
Hij wacht in Brussel op zijn eind.

Vooruit Janlief, hanteer de riem,
En geef die rotzooi op striem!
Vaag al dat vee van uwe baan
Zo lang uw hart nog mee wil gaan.


Jan Greshoff heeft Willem Elsschot tot schrijven gestimuleerd toen hij na het verschijnen van enkele boeken, waaronder Lijmen/Het been nog geen succes had. Het gedicht zelf gaat over het verwensen van het alledaagse in de mensen.

Indeling: Het boek is ingedeeld in vierentwintig hoofdstukken die met Romeinse cijfers genummerd zijn.

Samenvatting

Het boek gaat over Frans Laarmans, hij is een klerk bij de ‘General Marine and Shipbuilding Company’. Op de begrafenis van zijn moeder komt hij meneer Van Schoonbeke tegen.

Op een dag krijgt Frans een aanbod van Van Schoonbeke. Een vriend van hem handelt in kaas en hij heeft mensen nodig in Antwerpen die de kaas verkopen. Laarmans laat zich overhalen. Zijn vrouw heeft er niet veel vertrouwen in en haalt hem over om ziek verklaard te worden. De dokter, zijn broer schrijft een certificaat voor hem.

Intussen krijgt hij van de Hollandse kaas-importfirma een proefzending toegestuurd. Hij moet deze binnen bepaalde tijd zien te verkopen in België en Luxemburg. Voordat Laarmans begint de kaas te verkopen zorgt hij er voor dat hij een naam heeft verzonnen en richt een kantoor in. Uiteindelijk zet hij een advertentie om agenten te werven. Hij benoemt een aantal agenten, maar er gebeurt niets. Zelf gaat hij langs bij een kaashandel in Antwerpen maar hij verkoopt niets. Laarmans neemt een kaas mee om uit te delen bij de vrienden van Van Schoonbeke, zij willen wel een kaas bestellen.

Laarmans wordt tot directeur gekozen van de vakbond van Belgische Kaashandelaren. Dit ziet hij helemaal niet zitten, omdat ze op de werf nog steeds denken dat hij ziek is. Uiteindelijk lukt het zijn zoon om een kist kaas te verkopen. Laarmans heeft nu wel door dat het hem niet gaat lukken en schrijft een ontslagbrief. Hij zegt dat hij om gezondheidsredenen geen kaas meer kan verkopen. Een paar dagen later ontvangt hij een brief van een van de die erg veel kaas heeft weten te verkopen. Laarmans doet met veel plezier zijn oude werk weer.

Motivering keuze

Ik heb het boek gekozen omdat een vriendin van mij het aanraadde. Ik was op zoek naar een boek uit de periode 1880-1940 om te lezen voor mijn leesdossier en toen zei zij dat ik dit boek moest lezen. Ik heb het van haar geleend omdat boeken uit deze periode zeer moeilijk verkrijgbaar zijn in de bibliotheek. Het boek zat dit jaar bij de Kroonlijsters en zo was zij eraan gekomen.

Eerste reactie op het verhaal

Ik vind het een beetje simpel boek, eigenlijk gaat het helemaal nergens over behalve over een of andere simpele ziel die een man tegenkomt voor wie hij kaas moet gaan verkopen, dat mislukt en uiteindelijk is hij weer terug bij af en gaat hij weer verder met zijn oude baan. Ik vind het maar vaag dat zoiets literatuur genoemd wordt. Het boek vind ik wel goed geschreven en misschien was het normaal voor die tijd om boeken zo te schrijven. Dit was het eerste boek dat ik las uit die periode dus ik ben niet goed bekend met literatuur uit die periode. Wellicht moest ik eraan wennen.

Eindoordeel

Ik vond het meevallen om een boek te lezen uit die periode. Ik had gedacht dat het moeilijker zou zijn. Het boek op zich vond ik vrij simpel om te lezen. Het is niet zo dit en het taalgebruik is eenvoudig en leuk om te lezen omdat het door een Vlaming is geschreven. Dat is niet heel goed zichtbaar maar je kan het er wel uithalen. Ik waardeer het boek wel maar ik verwonder me erover dat het als literatuur gezien wordt en zo gewaardeerd wordt door deskundigen want eigenlijk gaat het helemaal nergens over.

Analyse van het boek

Vertelperspectief

Het boek is geschreven in een ik-perspectief. Dat is in dit geval wel grappig want de hoofdpersoon komt erg dom over en door het gebruikte perspectief word je ook over zijn gedachten geďnformeerd. Bij een ik-perspectief ben je dichter bij het verhaal betrokken en heb je meer het idee dat je het zelf meemaakt, het is niet zo afstandelijk.

Volgorde en tijd
Het verhaal is chronologisch geschreven hoewel er wel enkele terugblikken zijn. Het verhaal speelt zich waarschijnlijk af in de jaren dertig, de tijd waarin het boek ook geschreven is. De verteltijd is 106 bladzijden en de vertelde tijd zal enkele maanden zijn. Er is dus sprake van tijdverdichting alhoewel je het idee hebt dat de vertelde tijd maar heel kort is.

Ruimte
Het verhaal speelt zich voornamelijk af in Vlaanderen en dan met name in Antwerpen. Frans gaat ook een aantal keren naar Nederland. Hij moet kaas verkopen in Vlaanderen en in Luxemburg.

Personages
Frans Laarmans: hij is klerk bij de General Marine and Shipbuilding Company, daarna is het koopman en daarna weer klerk
Dokter Laarmans: de broer van Frans
De moeder van Laarmans: zij is stervende en op haar begrafenis komt Frans mijnheer Van Schoonbeke tegen.
Mijnheer Van Schoonbeke: Hij is een vriend van dokter Laarmans, de broer van Frans. Hij vraagt Frans om kaas te gaan verkopen.
Hornstra: kaashandelaar in Amsterdam
Fine: de vrouw van Laarmans
Jan en Ida: de kinderen van Frans en Fine
Anne van der Tak, Tuil, Erfurt en Bartherotte: zij zijn ook klerken bij de General Marine and Shipbuilding Company

Thema, motieven en visie
Thema: Het thema van het boek is kaashandel, het hele boek gaat eigenlijk over de handel in Kaas van Frans Laarmans.
Motieven: De verhouding tussen Laarmans en zijn moeder en natuurlijk kaas.
Visie: Het boek is geschreven vanuit de zeer cynische visie van de auteur op het leven. De auteur heeft ook veel tevergeefse pogingen gedaan om zijn boeken uit te geven maar het is blijkbaar een doorzetter want uiteindelijk zijn ze uitgegeven. Het boek is dus ook zeer cynisch. De hoofdpersoon Frans Laarmans stelt ook een heel normale burger voor, iemand zoals jij en ik. Ik geloof niet dat de auteur veel meer met zijn boek bedoeld heeft.

Informatie over de auteur

Willem Elsschot is het pseudoniem van Alfons de Ridder. De Ridder wordt op 7 mei 1882 geboren in Antwerpen. Als hij zestien is, wordt hij van school gestuurd wegens baldadig gedrag. Hij heeft dan verscheidene baantjes als loopjongen. In 1900 richt hij met een aantal medescholieren een tijdschrift op, Alvoorder. Een jaar later wordt hij vader. In 1904 behaalt hij zijn diploma aan de Antwerpse Handelsschool en uiteindelijk krijgt hij een baan als chefcorrespondent bij een bedrijf in Rotterdam. Ook werkt hij een tijd in Parijs. Na vier jaar keert hij, inmiddels getrouwd, terug naar België. In 1913 verschijnt zijn eerste roman, Villa des Roses. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog gaat hij, met vrouw en kinderen, bij zijn ouders in Antwerpen wonen. Tijdens de oorlog is hij secretaris van het Provinciaal oogstbureel en in deze periode worden nog twee kinderen geboren. Na de oorlog richt hij een reclamebureau op, met kantoren in Antwerpen en Brussel.

Voor zijn literaire bezigheden vindt hij inspiratie in zijn eigen ervaringen. Na de roman Lijmen (1924), die zich afspeelt in het zakenleven, blijft het lang stil rond Elsschot. Pas na aandringen van Jan Greshoff schrijft Elsschot de roman Kaas in 1933, die zeer succesvol blijkt. Hoofdrolspeler in zijn boeken is vaak Laarmans, een stakker die af en toe aan illusies toegeeft. Het is een bekrompen man die zich in zijn troosteloos bestaan schikt met een spottende glimlach. Ook zijn tegenpool, Boorman, komt vaak in Elsschots werken terug. Beide figuren zijn afsplitsingen van Elsschot zelf. In 1934 verschijnen Tsjip en Verzen van vroeger. Na onder andere De leeuwentemmer (1940) verschijnt het laatste boek van Elsschot in 1947: Het dwaallicht. In 1947 ontvangt Elsschot de Staatsprijs voor verhalend proza, in 1951 de Constant Huygensprijs en in 1960 (postuum) de Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan. Op 31 mei 1960 overlijdt Elsschot, één dag later overlijdt zijn vrouw.

Recensie

De persoonlijkheid van Willem Elsschot


Hoe treurig het ook moge zijn, waar is het zerk: de gemiddelde ‘intellectuele’ Nederlander, anders dan de gemiddelde ‘intellectuele’ Fransman, kent de schrijvers van zijn taalgebied niet.

Over dit onbetwistbare feit is veel gedisputeerd en men heeft zich al dikwijls afgevraagd hoe het toch in vredesnaam mogelijk is dat een volk, nog wel met de reputatie van ‘beschermer der geestelijke vrijheid’ in de twintigste eeuw een opmerkelijke voorkeur is gaan vertonen voor zijn minderwaardige auteurs. Ik zou niet gaarne beweren dan de grote massa in andere landen niet eveneens die minderwaardigen opzoekt, want dat ligt in de lijn van het lezen als functie van de geest, die zich verstrooien en van de dagelijkse levensbezwaren ontdoen wil; maar ik spreek hier niet over een klasse van mensen wier ontwikkeling en natuurlijke intelligentie van dien aard zijn, dat zij het boek niet uitsluitend behoeven te beschouwen als een ‘Ersatz’ voor het bridgespel. Zij, die de gave des onderscheids konden hebben, beoefenen nog altijd de huiskamerroman, die in Nederland bijkans onsterfelijk schijnt; zij achten zich al heel gelukkig met een nieuw product van Alie van Wijhe-Smeding of Jo van Ammers-Küller en – wat het zonderlingste van de ganse historie is – zij debatteren ook nog bestendig over de meerdere of mindere kwaliteiten van dat soort uitgaven, in plaats van te erkennen dat het er hoegenaamd niets toe doet of Vrouwenkruistocht beter of slechter is dan Naakte Waarheid. De kwaliteitsverschillen van zulke boeken bewegen zich op een plan dat, van Europees standpunt gesproken, al lang geen plan meer is. Men kan zeggen dat de voortreffelijkste vertegenwoordiger van het genre in Europa John Galsworthy is geweest, men kan ook nog zeggen, dat Ina Boudier-Bakker aanmerkelijk beter schrijft dan bijvoorbeeld mevr. De Vries-Brandon, die pas een nieuwe loot van de oude stam deed verschijnen: maar daarmee zou men dan toch ook wel genoegen kunnen nemen. Wie in de mening verkeert dat zulke verschillen ter zake doen in de Europese letterkunde, vergist zich ten enenmale.

Deze intense belangstelling voor het middelmatig boek zou ons nog vrijwel koud kunnen laten, als haar noodzakelijk complement niet ware het volslagen gebrek aan belangstelling voor het boek van betekenis. Het is als wist men tot voor kort van het bestaan van auteurs als Elsschot, Nescio, Paap en anderen niets af; zover gaat dit gebrek aan wezenlijke belangstelling voor eigen cultuur, dat in het buitenland onze natie vertegenwoordigd wordt door vertalingen van Felix Timmermans, de reeds genoemde mevr. Van Ammers-Küller en de volstrekt niet bijzonder merkwaardige provinciale beschrijvers van het boerenleven, Herman de Man en Antoon Coolen. Ik zie af van een enkele uitzondering, zoals de lofwaardige pogingen van de onlangs gestorven Rudolf Lonnes, die getracht heeft in Duitsland belangstelling te wekken voor de Nederlandse literatuur; want zulk een uitzondering bevestigt des te meer droeviger de algemene indruk dat men in Europa ons slechts kent als bezeten door een Kreuzzug des Weibes, anders nauwelijks. Zulk een toestand maakt het isolement van een klein volk zonder internationaal gangbare taal weer des te drukkender en beschamender; want wij kunnen ons nu eenmaal in deze tijd de luxe niet permitteren er een ‘eilandcultuur’ op na te houden, zoals in de zeventiende eeuw. Zonder contract met de Europese problemen worden wij weer wat wij in de eeuw van Beets en Tollens geweest zijn; de Chinezen van Europa, bang van de gele kaft van een Frans romannetje, zwerend bij de kaas als het symbool van de kosmos.

Kaas! Hoe ongezocht stroomt deze inleiding naar het boek dat mijn thema voor deze kroniek is! En hoe zonderling alweer is het dat met hier te lande de man die dit bij uitstek nationale onderwerp als het centrale punt van zijn roman koos tot voor enige jaren in het geheel niet, maar dan ook in het geheel niet kende! Pas toen de Wereldbibliotheek indertijd een herdruk publiceerde van zijn vergeten Lijmen, hoorde men zijn naam zo nu en dan eens noemen, maar altijd nog luidkeels overschetterd door het pallieteren en pirroenen van zijn medevlaming Felix Timmermans. Waarschijnlijk was een van de hoofdoorzaken dier onbekendheid, dat Willem Elsschot zich niet verwaardigt had onze zin voor ‘leut’ en jovialiteit strelen door zich uit te drukken in het zogenaamd ‘sappig Vlaams’: Elsschot schreef namelijk bijna behoorlijk Nederlands, ik bedoel Noord-Nederlands zonder fouten, hetgeen de meeste Vlamingen niet best afgaat; men zou hun dit overigens ook weer niet kwalijk nemen, als zij maar niet de kans schoon hadden gezien om van hun ‘sappige’ dialect te profiteren en het gehele taalgebied benoorden de Moerdijk te overstromen met hun ‘sappige’ woorden. Die sappigheid, die sappigheid! Als wij niet oppassen, komen wij nog eens om in al het sap dat het Zuiden ons met zoveel kracht inspuit, alsof het heil van de Dietse stam ervan afhing!

De romans van Willem Elsschot, wilde ik zeggen, zijn geschreven in heel gewoon Nederlands dat hier en daar de Vlaming weliswaar verraadt, maar nergens het provinciale taaleigen opdringt tot een cultus. Dat wil zeggen, dat de romans van Elsschot hun betekenis danken niet aan het feit dat ons het water in de mond komt als wij ze lezen; Elsschots taal is vrij van alle extravagantie, sober, soms scherp afgebeten, een andermaal precies vertellend, met de koele humor van de waarnemer. Men kan dat constateren in zijn verhaal Een verlossing (1921), maar beter nog in zijn oudere roman Villa des roses (1910: eigenlijk meer dan een grote novelle), de met wrede nuchterheid genoteerde geschiedenis van een Parijs pension. De bewonderaars van de huiskamerroman zouden dit boek ongetwijfeld ‘cynisch’ noemen, omdat het niets versluiert en vermooit dat burgerlijk en karikaturaal is, omdat het door zijn humor wraak neemt op een nest van kleine intriges, waarvan de schrijver zeker meer dan zijn bekomst heeft gehad: men doet er nu eenmaal beter aan, weemoedige en medelijdende commentaren bij zulke histories te schrijven, als men van zijn verzekerd wil zijn. Maar desondanks is het woord ‘cynisch’ hier, als zo vaak, weer misplaatst: wie beter kan lezen, ontdekt achter de verbitterde observator van Villa des roses spoedig genoeg een gemakkelijk te ontroeren ziel, die echter geen lust heeft om van die ontroerbaarheid de onnozele dupe te worden. Villa des roses is een boek boordevol gevoel; maar het gevoel kookt niet over, als in zovele tweede en derderangs romans, het zoekt ook geen verheven namen voor dingen die ment beter nuchter kan noemen; het verkeert eenvoudig in die tijdelijke staat van bittere ontgoocheling, die ieder ook verstandelijk fijn bewerktuigd gevoelsmens moet doormaken, als hij zich niet voortijdig in een klooster opsluit. De pensionbewoners zijn met een genegenheid gezien, die ook de haat insluit en die dus niets uitstaande heeft met de romantische vertedering waarmee sommige auteurs van boerenromans hun sujetten vertroetelen; Elsschot is geen dupe van hun schilderachtig voorkomen, en hij is evenmin verliefd op hun dwaze gewoonten; hij had hen lief, zoals zij waren, zonder idealiseringen en vervalsing van waarden, en daarom kon hij hun, met al hun hatelijke eigenschappen, weer tekenen zonder de boosheid van een verongelijkte. Als wraakneming is Villa des roses daarom van de beste soort; men proeft aan de stijl dat de wraak geen rancune inhoudt.

In Lijmen (1932) waagde Elsschot een gedurfder zet; hij verliet de beschrijvend-novellistische trant om een problematische figuur in het centrum van zijn compositie te zetten: de ex-idealist die ‘in de handel’ gaat. De handel wil hier zeggen: het ‘lijmen’ van klanten met een reclametijdschrift dat hun zogenaamd zakelijk voordeel kan brengen, maar eigenlijk berust op een truc. Deze truc – en hierin steekt niet voor het geringste deel de waarde van het boek! – is volkomen ‘geoorloofd’; de onderneming met het Wereldtijdschrift is geen zwendel, maar op de ‘zuivere logica’ van de handelsman berustende negotie: de gedupeerden zijn dupe door hun eigen gebrek aan weerstandvermogen, en zij zijn dus in de algemeenste zin symbolen van de handel als normaal verschijnsel. Het is voornamelijk om deze inzet van een probleem, dat ik Lijmen, tegen veler opinie in, hoger aansla dan Villa des roses; het is als geheel misschien minder vlekkeloos van schriftuur, maar het is ook zonder enige twijfel belangrijker van inzet. Hoewel de hoofdpersonen van dit boek, de ex-idealist Laarmans en de geoorloofde trucs profiterende ‘ondernemer’ Boorman, min of meer symbolisch zijn, heeft Elsschot het gevaar van opzettelijk aandoende en een holklinkende symboliek volkomen weten te vermijden: de mensen uit Lijmen zijn even aanvaardbaar als de personages van Villa des roses. Men kan aan Elsschot merken, wat men aan ieder goed romanschrijver kan merken (en wat de goede romanschrijver aanstonds volstrekt onderscheidt van de middelmatige en de slechte), dat hij de modellen voor zijn romanfiguren voor ogen heeft gehad en betrapt op hun menselijke eigenschappen; hij werkt niet met clichés van andere auteurs, die men bij wijze van spreke aan huis geleverd kan krijgen. Het probleem van de handel, van de overreding, van het gepermitteerd bedrog, van de concurrentie, van de ‘oorlog in volle vrede’ dus, waaraan ieder dagelijks is overgeleverd, waaraan niemand kan ontkomen, omdat die ‘oorlog’ het fundament is van ons bestaan …dat probleem leverde Elsschot de lezer over met een volheid van mensenkennis en een rijkdom van humor, die hem recht geven op een zeer bijzondere plaats in de literatuur van zijn generatie.

Het zo-even verschenen Kaas verschaft ons het bewijs dat een zeer Nederlands artikel het thema kan leveren voor een allerminst provinciaal-Hollandse roman. Ook in Kaas snijdt Elsschot het probleem van de handel en daarmee het algemener probleem van het handelen aan. Het accent is anders dan in Lijmen; het gevoelselement treedt sterker op de voorgrond, de persoonlijkheid van de man die moet ‘lijmen’, ditmaal met kaas, en die ook hier de naam Laarmans draagt, is meer hoofdzaak dan in het vorige boek. Hij, Laarmans, heeft een armzalige, maar fatsoenlijke betrekking bij de General Marine and Shipbuilding Company; dan komt de kaas in zijn leven, in de vorm van een agentschap dat hem wordt aangeboden; zijn bestaat wordt een kaasbestaan, zijn gedachten moeten zich omzetten tot kaasgedachten, zijn totnogtoe povere, maar eerlijke persoonlijkheid moet zich metamorfosen in een wezen dat kaas ademt, kaas predikt, kaas verheerlijkt; er is maar een Kaas en Laarmans moet zijn profeet zijn! Maar hij, de bescheidene, de nederige, maar oprechte, tracht tevergeefs; hij blijkt te goed (of te onhandig, al naar men wil) voor het kaasevangelie, en hij keert terug tot zijn medeklerken, verslagen, maar tenminste niet vernederd. En Laarmans hervindt zichzelf. ’t Is zo vreemd, in al die jaren heb ik niet geweten dat het op kantoor zoo gezellig kan zijn. In die kaas moet ik stikken terwijl ik hier tusschen twee briefjes in, even kan luisteren naar innerlijke stemmen.’

Is het gegeven dus min of meer een repliek van Lijmen, de roman zelf is het zeker niet. Welk van de beide boeken het sterkst is, zou ik niet dadelijk durven uitmaken; in Lijmen vindt men de merkwaardige figuur van de handelaar Boorman als winst, die hier ontbreekt, in Kaas daarentegen komt de moeder van de hoofdpersoon naar voren, zoals men dat nog in geen van Elsschots werken had aangetroffen. Voor de kaasempathie begint, staat de held van de historie aan het sterfbed van zijn moeder; een inleidend hoofdstuk, dat onmiddellijk de gevoeligheid en de beheerste soberheid van de schrijver volledig openbaart. Met die moeder sterft iets weg, voelt men; nu kan het spel beginnen, Laarmans staat blanco. Met de zachte humor van korte tekenende zinnetjes weet Elsschot in deze scčne aan het sterfbed meer tragiek te geven dan veel anderen het doen met pathetische en opgewonden woorden. Geen woord te veel, geen gebaar te dik, geen opmerking overbodig; ook de dood, suggereert Elsschot, heeft recht op soberheid, er is geen reden om juist daar het luid misbaar aan te heffen, dat dan gewoon losbreekt. In die sobere toon van milde humor gaat het verhaal voort, tot het zich oplost in een nederlaag, die geen nederlaag is.

De held van Lijmen was een idealist die aan de handel geofferd werd. De held van Kaas laat zich niet offeren, maar verkiest de propere armoede boven de verkaasde rijkdom; of beter gezegd, hij verkiest niets, maar het leven verkiest niet dat hij een slaaf van de handel zal worden: hij blijft ‘honnęte homme’ dwars door de kaas heen. In dit opzicht is Kaas een nieuw aspect van Willem Elsschot, een etappe in zijn ontwikkeling. Men zou dit nieuwe en positieve geloof in oprechtheid kunnen noemen; niet via een onvruchtbaar, sputterend idealisme-van-de-koude-grond komt Frans Laarmans tot die oprechtheid; neen, door een bolwerk van kaascompromissen moet hij zich heeneten om het bescheiden eiland der ‘innerlijke stemmen’ voorgoed te bezitten. Op de proef gesteld door de kaas, geadeld door de kaasproef heeft de klerk voortaan recht op zijn armoede, omdat hij zich nu pas volledig bewust is geworden van het voorrecht in oprechtheid arm te kunnen zijn.

Er is veel verwantschap tussen de Nederlander Nescio en de Vlaming Elsschot, al zijn hun stijlmiddelen geheel verschillend; wat hen beiden verbindt, en wat het tot een voorrecht maakt over hen te schrijven, is hun reëel gevoel voor het eiland de innerlijke stemmen.

M. TER BRAAK
Het vaderland, 3 december 1933
Terug Stuur je eigen verslag op Opnieuw zoeken