Langendijk, Pieter LET OP: Dit verslag is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel bij het maken van je eigen verslag en niet om zomaar in te leveren bij je docent(e). Lodewijk, een verarmd edelman, trekt rond met een verlopen soldaat, Jan. Door valsspelen met de kaart voorzien zij in hun levensonderhoud. Op een dag ontmoet Lodewijk in de Malibaan, in Utrecht, Charlotte, en wordt verliefd op haar. Bovendien verkeert hij in de mening dat zij erg rijk is, en wanneer hij haar dus tot een huwelijk zou kunnen bewegen, zo denkt hij, zal hij er ook financieel weer bovenop zijn. Daarom besluit hij zich uit te geven voor een rijke Poolse graaf met de bedoeling haar te winnen. In werkelijkheid echter is Charlotte al even berooid als hijzelf. Ze leeft met haar moeder Konstance en de meid Klaar in behoeftige omstandigheden. Allang is besloten, dat Charlotte een rijk huwelijk moet doen. Als dus Lodewijk komt opdagen, gaat ze trachten hem in haar netten te vangen. Een bijkomstige omstandigheid is, dat ze ook werkelijk verliefd op de jongen wordt. Nu worden er van weerskanten enkele komedietjes op touw gezet, die tot doel hebben de andere partij te lokken. Dat lukt heel vlot, maar dan daagt een nieuwe moeilijkheid, want Konstance heeft geen geld om een bruiloft met een graaf te bekostigen, en daarom moet Charlotte zich laten schaken. Geheel onafhankelijk daarvan komt Lodewijk tot de overtuiging dat ook voor hem een schaking de beste oplossing is, want alleen zo zal zijn ware toestand niet voortijdig aan het licht komen. Parallel met deze liefdesgeschiedenis loopt de meer komische van Klaar en Jan. Jan geeft zich uit voor Baron, en Klaar, die helemaal niet verliefd is maar wel zin heeft in een baronesseleven, vliegt er in. Ze laat haar vrijer Hans, een goede jongen, die echter ook al niet vies van een paar ducaten is, er voor schieten.Maar dan komt Karel, de broer van Charlotte, die kapitein geworden is, ten tonele. Hij herkent de deserteur en paardendief Jan, en dan komt de hele zaak uit. Het slot is dat Lodewijk een plaats in het leger krijgt en zijn Charlotte zal kunnen "verdienen". Zelfs Jan krijgt gratie. Voor alle partijen loopt het nog betrekkelijk goed af. Titel Het boek heet ‘Het wederzijds huwelijksbedrog’ omdat iedereen iedereen bedriegt in dit toneelstuk omwille van geld, aanzien en een ‘rijk huwelijk’. Vooral in het tweede bedrijf is sprake van ‘wederzijds bedrog’, Charlotte doet dan alsof ze een mooi juweel wil kopen, die al van haarzelf was, Lodewijk koopt hem dan voor haar, zodat het lijkt alsof hij heel rijk is. Er komt iemand die doet alsof hij de pacht komt betalen aan Konstance en Charlotte, terwijl zij zelf in de schulden zitten. En Konstance beraamt een schaking van Charlotte, zodat ze haar geen bruidsschat hoeft mee te geven. Pieter Langendijk: Pieter Langendijk is geboren in Haarlem, op 25 juli 1683, en is daar gestorven op 9 juli 1756. Hij was Nederlands dichter, patroontekenaar, etser en schilder, werd in 1749 stadshistorieschrijver van Haarlem. Zijn stadsgeschiedenis is nooit uitgegeven, maar G.W. van Oosten de Bruyn gebruikte het handschrift voor zijn De stad Haarlem en haare geschiedenissen (1765). Langendijk, sedert 1721 factor van de Haarlemse rederijkerskamer ‘Trou moet blycken’, is vooral belangrijk als blijspeldichter: hij schreef in Frans-classicistische trant stukken die dramatisch-technisch vaak goed in elkaar zaten en heel geestig konden zijn, al bleef hij steken in toneeltypen. Zijn beste stukken zijn Het wederzijds huwelyks bedrog (1714) en De wiskunstenaars of 't Gevlugte juffertje, kluchtspel (1715). Kort na zijn dood verscheen Xantippe of Het booze wyf des filozoofs Socrates beteugeld, een ‘opleiding tot de deugd’, het ‘allervoornaamste oogmerk van een Blyspel’, zoals hij zelf schreef. Stroming: De stroming waarin het boek geschreven is het classicisme. Onder classicisme verstaan we de bewondering voor de klassieke beschaving die in de renaissance opkwam en die zich vooral in de dramatische letterkunde uitte. De navolging van het klassieke schoonheidsideaal betrof zowel de vorm als de inhoud van het werk. In de eerste plaats onderkende men de werking van de rede, vandaar dat het classicisme in zijn latere ontwikkeling in rechtstreeks verband staat met het rationalisme. Een intellectualistische esthetica en poëtica meende dat een kunstwerk aan bepaalde, van tevoren opgestelde regels moest voldoen en dat het gevoel steeds door de rede moest worden beheerst. Als voorgeschreven dichtmaat gold de alexandrijn; bepaalde woorden mochten niet worden gebruikt omdat ze niet verheven waren. In de 18de-eeuwse literatuur (classicisme in engere zin) werden de voorschriften maar al te vaak uiterlijk toegepast en trad verstarring op. In de Nederlanden en ook elders volgden de dichters niet meer de klassieken na, maar Franse voorbeelden. Kenmerken uit de maatschappij: De mensen krijgen (los van het onderwijs) al de beschikking over de eerste bibliotheken met literaire, wetenschappelijke en populaire boeken en tijdschriften. Ze bevredigen hun behoefte aan voorlichting en informatie van praktische, godsdienstige en wijsgerige aard. Het vrouwelijk lezerspubliek krijgt speciale aandacht. Omdat vrouwen de opvoeding regelen, kunnen schrijvers binnen één generatie hun ideeën via deze lezeressen verbreiden. De achttiende eeuw stelt zich verrassend positief op tegenover het vroege feminisme. In dat verband bepleiten spectators vaak goed onderwijs voor meisjes. |
||||||||
|