Landschap 5: het zeekleilandschap

LANDSCHAP 5 : HET ZEEKLEILANDSCHAP (wordt nog 'gelardeerd' met foto's)

FRIES-GRONINGSE ZEEKLEIGEBIED

1. Omgrenzing

Het Fries-Groningse zeekleigebied grenst in het noorden en westen, aan het Waddengebied en het IJsselmeer. De grens is getrokken via de huidige zeedijk. In het zuiden grenst de regio aan het noordelijk zandgebied. Zoals reeds vermeld werd. loopt hier de grens via de plaatsen Nieuwe Schans, Groningen, Dokkumg Beetsterzwaag ,Joure en Lemmer.

2. Reliëf en afwatering

Op grond van het reliëf kan de regio in tweeën worden verdeeld en wel volgens de lijn Staveren-Sneek-Grouw-Leeuwarden-Dokkum-Noordhorn-Groningen Winsum-Delfzijl. Het gebied ten noorden en ten westen van deze lijn ligt boven N.A.P. Het hoogste punt ligt in het Hoge Land (Gron.) ten noordoosten van Uithuizermeeden , nl. 2 m. + N.A.P.

Ten zuiden van de genoemde lijn ligt het oppervlak van de regio beneden N.A.P. Het laagste punt bevindt zich hier op 2 m. - N.A.P. nabij de Fluessen. Doordat dit deel van de regio ligt ingeklemd tussen het hogere zandgebied in het zuiden en de genoemde hogere kustgordel levert de afwatering problemen op en moet geheel kunstmatig geschieden.

Geologie en geomorfologie

A, De Pleistocene ondergrond

Het Fries-Groningse zeekleigebied is opgebouwd uit mariene afzettingen en kustvenen die in het Holoceen zijn gevormd. De Pleistocene zand- en keileem ondergrond waarop de Holocene afzet,ingen rusten duikt vanaf de zuidgrens van de regio steeds dieper naar het noorden en westen onder de mariene af zettingen weg. In het Friese gebied ligt het Pleistoceen nog vrij ondiep: gemiddeld 3 tot 6 meter, naar het noorden oplopend tot 9 meter - N.A.P. In Groningen noemt de diepte van de Pleistocene sedimenten veel sneller toe" bij Uithuizermeeden reeds op 20m - N.A.P.

Plaatselijk steken hogere delen van het Pleistocene oppervlak door de Holocene afzettingen heen: in Friesland bij KoudumWarns. Gaasterland en Sint Nicolaasga (stuwmorenen van fase D - Saalien). In Groningen bij Noordhorn en Zuidhorn.

B. De Holocene afzettingen

Door de Postglaciale zeespiegelstijging word ook in het Fries-Groningse zeekleigebied voor de stijgende zeespiegel uit een laag basisveen ( 5Ocm dik) gevormd op de Pleistocene zandondergrond. Het basisveen werd nadat het werd overspoeld door de stijgende zee, afgedekt door de afzettingen van Calais (oude zeeklei). Plaatselijk trad erosie van het basisveen op. De afzettingen van Calais die zijn opgeslibd tot ca. 2 m-N.A,P., komen 'n de ondergrond voor ten noorden van de lijn Harlingen-Grouw -Dokkum-Delfzijl.

Nergens in de regio liggen ze aan de oppervlakte. Op het aan de afzettingen van Calais grenzende zandgebied begon vanaf het Atlanticum maar vooral in het Subboreaal veen te groeien waarbij het zich ook gedeeltelijk over de afzettingen van Calais uitbreidde. zoals in het lage midden van Friesland en de Pleistocene randzones van Groningen en Friesland. Vanaf het Subboreaal werden over de afzettingen van Calais de afzettingen van Duinkerke (jonge zeeklei) afgezet. Ook op en in het veen van het lage midden en de randzones werden mariene sedimenten afgezet. Meestal bestaan de afzettingen in het veengebied uit slappe, zware kleien, terwijl naar de kust toe zandiger afzettingen werden gevormd. Dit heeft tot gevolg gehad dat de bodemdaling in het binnenland veel groter is geweest dan die in de kustzone. Daarbij komt dat aan de kust de opslibbing door kon gaan terwijl het binnenland niet noodzakelijk ook werd voorzien van nieuwe sedimenten. De aanslibbing aan de kust vond niet regelmatig en kontinu plaats; transgressieperioden wisselden af met rustiger perioden. Tijdens transgressieve perioden werden aan de kust kwelderwallen gevormd. Dit zijn parallel aan de kust liggende ruggen van enkele honderden meters tot enkele kilometers breedte. Zij ontstonden doordat een deel van de aangeslibde kwelder werd geërodeerd en het geërodeerde materiaal over het aangrenzende kustgedeelte werd afgezet. Omstreeks 600 v.Chr. begonnen de gevormde waddenafzettingen te verlanden. Van ca. 500 v.Chr. dateren de eerste sporen van bewoning (Ezinge), die veelal worden gevonden op kwelderwallen.

De kwelderwallen en kwelders werden doorsneden door rivieren uit het achterland die in zee mondden, bv. de Lauwers, de Dokkum E, de Hunze, de Fivel en de Eems. Tussen 300 v.Chr. - 50 n.Chr. werden tijdens de Preromeinse transqressiefase afzettingen gevormd die na verlanding als basis voor vele terpen diende. Tijdens de Laatromeinse of Vroegmerovingische transgressiefase (250-600 n.Chr.) drong de zee weer via bestaande riviermonden en zee-armen (Middelzee en de bovengenoemde rivierarmen) het land binnen en zette achter de kwelderwallen (die te hoog lagen) een zware stugge kleilaag af: de knikklei (Groningen) of knipklei (Friesland).

Deze knipklei werd zowel op de Pre-romeinse (of "oude kwelder") afgezet als over het aangrenzende veen. De laag wigt naar het binnenland uit over het veen en is plaatselijk tot ver in het binnenland doorgedrongen (in het Hunzedal tot het Zuidlaardermeer en in het dal van de Drentse A). De dikte van de knikklei is gering: 0,50 - 1,0 m. In de Ottoonse transgressiefase (800 - 1000 n,Chr.) werd het Friese knipklei gebied vanuit de Middelzee sterk geërodeerd .In Groningen daarentegen werd de knikklei "verjongd "doordat er een dunne laag (enkele decimeters) zavelige brakwaterklei op werd afgezet.

Tijdens al deze transgrassiefasen ging de uitbouw van de kust met kwelderwallen gestaag door. Tijdens de Laatmiddeleeuwse transgressiefase (1200 -1500 n,Chr.) werden de riviermonden en zeeboezems door erosie sterk vergroot, maar ze slibden na het ontstaan ervan echter weer vrij snel dicht. Als mogelijke oorzaak van het dichtslibben kan worden genoemd dat in dezelfde periode de Zuiderzee werd gevormd. Hierdoor was de komberging van de oplopende vloed veel groter geworden. zodat de erosie afnam. In de Laatmiddeleeuwse fase zijn ook de beide Dollardboezems gevormd, Deze slibden pas veel later dicht.

Vanaf de lle eeuw begon de mens zich door dijkaanleg tegen de opdringende zee te verdedigen. Rond 1500 was de zeewering voltooid en begon men actief buitendijks land in te polderen.

4. Indeling in drie subregio's

Naar ontstaanswijze kunnen drie subregio's worden onderscheiden.
1. De inpolderingen
2. Het kwelderwallengebied
3. Het knik- en klei-op-veen gebied

Subregio 1: de inpolderingen

a) Omgrenzing

Deze subregio omvat de sinds ca 1500 na Chr, opgeslibde en bedijkte kwelders voor de kust en de dichtgeslibde zeeboezems en riviermonden~ zoals de Middelzee, de Lauwerszee, de Hunzeboezem. de Fivelboezem en de Dollard boezems.

b) Ontstaan. reliëf. bodem en bodemgebruik

De ingepolderde kwelders zijn gevormd tijdens de jongste transgressiefasen. De aanslibbingen voor de zeedijk werden. wanneer ze voldoende hoog waren opgeslibd bedijkt in lange, smalle, evenwijdig aan de kust gelegen polders.

Buiten de dijk worden vervolgens weer nieuwe kalkrijke kleiige afzettingen neergelegd.

De afzettingen in deze inpolderingen hebben enigszins het karakter van kwelderwallen (zie subregio 2). De hoogteligging van de inpolderingen is ongeveer 1 a 2 m. + NAP.

De inpolderingen behoren door hun gunstig kalkgehalte, ontwatering en structuur tot de beste landbouwgronden.

De zeeboezems en riviermonden werden vrijwel alle gevormd of vergroot tijdens de Laatromeinse transgressiefase (1200 -1500 n.Chr,). Aan de inbraken waarbij de Dollardboezems en de Kolken (bij Dokkum) ontstonden hadden mogelijk ook de bewoners schuld. Bij de kolken vond uitgebreid selnering plaats (veen-graven voor zoutwinning). waardoor inundatie kan optreden, In het geval van de Dollard-inbraken waren waarschijnlijk tengevolge van de Hoekse en Kabeljauwse twisten de dijken verwaarloosd.

Ook in de zeeboezems worden de gebieden die hoog genoeg waren opgeslibd ingepolderd.

De gronden in de oudste Dollard polders bevatten veel minder kalk dan de gronden in de jongere polders. Aannemende dat het kalkgehalte van het slib bij afzetting constant is, moet dit verschil verklaard worden door uitspoeling van de kalk.

Het opslibbingsmateriaal van de zeeboezems is landinwaarts zwaarder dan bij de monding. Om deze reden en vanwege heL- lagere kalkgehalte zijn de meer landinwaarts gelegen gronden minder geschikt voor akkerbouw dan de overige delen van de ingepolderde zoeboezems. De laatste zijn te vergelijken met de ingepolderde kwelders langs de kust.

Subregio 2: Het kwelderwallengebied

a) Omgrenzing

Het kwelderwallengebied bestaat uit een aantal evenwijdig aan de kust gelegen wallen.

b) Ontstaan. reliëf, bodem en bodemgebruik

De kwelderwallen zijn ontstaan doordat tijdens transgressiefasen een deel van de reeds gevormde kwelder word geërodeerd en het geërodeerde materiaal landinwaarts op de kwelder werd afgezet. In latere transgressiefasen kon van de bestaande wal een nieuwe worden gevormd. Tussen de beide wallen ontstond zo een relatief lege zone: het kwelderbekken. Het kwelderwallengebied bestaat dus uit een afwisseling van kwelderwalIen en kwelderbekkens. Het hoogteverschil tussen belde eenheden bedraagt max. 1 a 1,5 m.

Naarmate de kwelderwallen later gevormd zijn (jonger zijn) liggen ze hoger. Dit houdt verband met de doorgaande zeespiegelstijging op plaatsen waar rivieren in zee uitkwamen en waar brede trechtervormige zeeboezems aanwezig waren hebben de langs deze inhammen gevormde wallen een afwijkende richting (zie de Middelzee en de Fivelboezem).

De oudste kwelderwallen zijn gevormd aan de buitenzijde van de omstreeks 600 v.Chr, drooggevallen kwelders en vormen de binnenste en laagste wal. (bv. de wal waar Ezinge op ligt).

Jongere kwelderwallen zijn gevormd in de pre-romeinse en Vroegmerovingische en Ottoonse transgressiefasen.

Op de kwelderwallen vond al vroeg bewoning plaats. Vanaf + 600 v.Chr. werden hierop vele terpen gebouwd. De terpen werden opgehoogd om beveiligd te zijn tegen hoog water. Door regelmatige ophoging konden de terpen vrij hoog worden.

Een van de hoogste is de terp van Hogebeintum. die tot 7 m + N.A.P. is opgehoogd. Een groot aantal van de terpen is geheel of gedeeltelijk afgegraven. De terpaarde is om het hoge fosfaatgehalte (afval) verkocht als meststof. De kwelderwallen vormen goede landbouwgronden. alhoewel ze door ontkalking slempgevoelig zijn. De kwelderbekkens zijn minder geschikt voor landbouw. Ze zijn natter en bestaan uit zwaarder materiaal. Men gebruikt ze daarom veelmeer voor grasland. Op topografische kaarten zijn de kwelderwallen te identificeren door de steden (terpen)-rijen die erop liggen. bv. de wal van Warffum,Usquert Uithuizen en Roodeschool en de wal van Den Hoorn, Wehe, Leens en Ulrum.

Subregio 3: Het knip- en klei-op-veengebied

a) Omgrenzing

Deze subregio ligt ingeklemd tussen het relatief hoge kwelderwallengebied (in het noorden) en het hoge zandgebied (in het zuiden).

b) Ontstaan. reliëf en bodem en bodemgebruik

Toen omstreeks 600 v.Chr, de kwelder voor de kust van Groningen en Friesland droog viel. bevond zich tussen de kwelder en het Pleistocene zandgebied een veenzone. Deze veenzone is in Friesland in het lage midden (ten zuiden van de lijn Staveren-Sneek-Grouw) veel uitgebreider dan in de rest van de regio omdat hier het Pleistocene zand vrij ondiep ligt (gem. 4 m- N.A.P.). De kwelderafzettingen grenzend aan de veenzone zijn sterk kleihoudend door het rustiger sedimentatiemilieu dat hier aanwezig was. Door deze klei- op- veen ondergrond is relatief sterke klink (daling van de bodem door ontwatering) opgetreden. Het gevolg was dat de subregio relatief laag kwam te liggen en in latere transgressiefasen weer makkelijk geïnundeerd kon worden. Dit gebeurde in de Preromeins en de Vroegmerovingische en de Ottoonse transgressiefase. De uitlopers (geulen) van deze fasen drongen vaak diep. d.w.z. tot aan het zand. het veengebied binnen. Het veen werd hierdoor afgedekt met een kleilaag (de klei-op-veen laag).

Na het droogvallen van de Pre-romeinse afzettingen werden hierop op grote schaal terpen gebouwd. Tijdens de Vroegmerovingische transgressiefase werd over het gebied de bekende knip- of knikklei afgezet. Deze knikklei is zeer zwaar en heeft een slechte structuur. Over het algemeen is deze laag niet dikker dan 1-1,5 m. In de Ottoonse transgressiefese (800 - 1000 n.Chr.) werd in Friesland het knip- en klei-op-veen gebied sterk geërodeerd). Er ontstonden erosiegeulen en meren. In deze periode breidde ook de Middelzee zich sterk uit. Zoals reeds werd vermeld trad in de provincie Groningen geen erosie van de knikafzettingen op. In plaats daarvan werd op de knikklei een dunne laag (enkele decimeters) brak water-afzetting afgezet. Vanaf 1200 n.Chr. werd het knik- en klei-op-veen-gebied door bedijkingen tegen verdere overstromingen behoed en slibden ook de aanvoerwegen van het zeewater (zeeboezems en riviermonden) dicht.

Toch trad er nog wel erosie op. getuige het feit dat bestaande meren vergroot werden en er nieuwe werden gevormd. Deze meren liggen alle in het klei-op-veen-gebied en in de aan het zandgebied grenzende veengordels.

In Groningen zijn dit het Schildmeer. het Foxholstermeer, het Zuidlaardermeer, het Paterswoldse meer en het Leekstermeer en verder de  drooggemalen meren zoals het Proostmeer. het Kleine Meer, het Meedhuizermeer, het Wold meer en het Opwierdermeer. De genoemde meren zijn mogelijk mede door vervening ontstaan. Omdat in Friesland de kleilaag op het veen te dik is geweest voor vorvening, zal hier alleen erosie een rol hebben gespeeld. Van de Friese meren liggen de Morra. de Fluessen en het Hegermeer in een voormalig glaciaal tongbekken. Drooggemalen meren zijn hier: het Makkumermeer. het Parregaastermeer het Workumer meer , het Haanmeer. het Flaitmeer, het Noordermeer en het Zuidermeer.

Het knik- en klei-op-veengebied ligt over het algemeen relatief laag tot 2 m,-N.A,P. Mede door deze lage ligging en door de ongunstige structuur van de knikklei is deze subregio niet geschikt voor akkerbouw. In de zomer droogt de grond door het ontstaan van scheuren makkelijk uit en zakt het regenwater te snel weg; in de winter zwelt de klei, de scheuren verdwijnen en de grond wordt ondoorlatend zodat wateroverlast optreedt.

In Friesland liggen de knip- en klei-op-veengronden daarom geheel in grasland. hoewel de structuur hier vaak verbeterd is door ophoging met terpaarde,koemest en klei uit de ondergrond waardoor de zg. brónlaag ontstond.

In Groningen treft men ook wel akkerbouw op de knipgronden aan. Dit hangt samen met het feit dat hier het knikgebied overdekt is met een wat zaveliger sediment uit de Ottoonse fase.

In Groningen komen nog een tweetal bodemkundige varianten in het knikgebied voor. Ten noordoosten van de stad liggen de woudgronden, Deze hebben een hoog humusgehalte en zijn tamelijk goed geschikt voor akkerbouw. Deze variëteit is mogelijk ontstaan doordat de opslibbing plaats vond onder moerasbos-omstandigheden. Rondom het "schiereiland" van Winschoten komen rodoorngronden voor. Ook deze zijn beter geschikt voor akkerbouw door een betere struktuur. Deze rodoorngronden zijn ontstaan doordat het uit de veenkoloniën komende grond- en oppervlaktewater veel opgeloste ijzerverbindingen

bevatte. Deze ijzerverbindingen werden rond het Winschotergebied als huidjes om de bodemdeeltjes neergeslagen.

In het overgangsgebied naar het Pleistocene zand waar de uitlopers van de mariene sedimenten als dunne lagen voorkomen. heeft men de grond verbeterd door het opbrengen van "woelklei", Deze woelklei is het zavelige. kalkrijke materiaal dat in de aanvoergeulen voorkomt en dat door de bewoners is op gebracht. De knikklei is vooral in de provincie Groningen op grote schaalafgegraven voor de baksteenindustrie.

Literatuur

Cnossen. J. De bodem van Friesland. Wageningen 1971
Smet. L.A,H, de De bodem van Groningen. Wageningen 1965
Stiboka De bodem van Nederland, Wageningen 1965