Primaire en secundaire banken

De primaire banken (b.v. ABN/AMRO, RABO, ING, SNS) zijn de geldscheppende banken, dat wil zeggen dat zij met een zekere kas een grotere girale geldhoeveelheid dan deze kas kunnen maken, via girale kredietverlening. Zij weten namelijk uit ervaring dat de rekeninghouders slechts een klein deel van hun geld in chartale vorm komen opeisen en hebben dus geld ‘over’, waarmee ze een girale "zeepbel" kunnen opblazen, die echter ook niet te groot mag worden in verband met de vereiste liquiditeit ( "de zeepbel kan knappen" en de bank is failliet, omdat zij niet aan de opvragingen van het publiek kan voldoen). Zij willen natuurlijk zoveel mogelijk giraal krediet verlenen om zoveel mogelijk rentewinst te maken. De Nederlandsche Bank (DNB) houdt hen natuurlijk wel in de gaten dat ze niet teveel geld scheppen, in verband met inflatiegevaar.

De secundaire banken (b.v. Friesch-Groningse hypotheekbank, ‘Spaarbank van ome Jan op de hoek’) kunnen nooit meer geld uitlenen dan dat zij zelf hebben gekregen van ander publiek via ingelegd spaargeld (spaarbanken) of via verkochte pandbrieven (hypotheekbanken). Ik zal beide soorten banken illustreren met een "balansje", waarbij debet/activa betekent: de bezittingen van de bank en credit/passiva betekent: de schulden van de bank.

 

debet primaire bank credit

kas 20 rekening courant 80

debiteuren 60

 

80 80

De liquiditeit is : kas (+eventueel tegoed bij DNB) / rekening courant * 100%

is hier 20/80 * 100% = 25%.

 

debet hypotheekbank credit

kas 10 pandbrieven 50

hypotheken 40

50 50

Via verkoop van pandbrieven 50 binnen en weer 40 uitgeleend, zonder dat MGH toeneemt!

 

debet spaarbank credit

kas 5 spaarrekeningen 35

beleggingen 30

35 35

Via spaargeld van publiek 35 binnen en weer 30 daarvan belegd om rente-winst (rentemarge) te verkrijgen (MGH blijft weer gelijk, hun kas behoort ook tot MGH)