Economie - Betalingsbalans, valutamarkt en wisselkoersen

Elk land of bedrijf wil in principe betaald worden (bij internationale handel) in zijn of haar eigen valuta. Dus als een Nederlands bedrijf goederen exporteert naar Italië, dan wil zij door de Italianen betaald worden in guldens. Op de valutamarkt zal er dus een extra vraag naar guldens ontstaan (en een extra aanbod van Lires) door de Italianen om de Nederlanders te kunnen betalen; hierdoor zal (ceteris paribus) de koers van de gulden stijgen en die van de Lire dalen.

Zo kan men dus algemeen zeggen, dat landen met een betalingsbalansoverschot, dus ontvangsten (uit hoofde van b.v. goederen-export of diensten-export of ontvangen inkomens of kapitaalinvoer) zijn groter dan de uitgaven (uit hoofde van b.v. goederenimport of kapitaalexport), een stijgende wisselkoers van zijn valuta heeft, omdat de vraag naar die eigen valuta groter is dan het aanbod; zo hebben landen met een betalingsbalanstekort dus een dalende wisselkoers van hun valuta.

Wisselkoersen komen dus tot stand op de valutamarkt en hebben dus ook een directe relatie met de situatie op de betalingsbalans van een land. Nu onderscheidt men flexibele wisselkoersen, die vrijuit mogen zweven (zoals de dollar) en stabiele wisselkoersen, die beperkt mogen zweven (zoals de Europese E.M.S.-valuta). Stabiele wisselkoersen beperken de koersrisico’s voor handelaren en stimuleren zo de internationale handel en dus internationale arbeidsverdeling ( ‘elk land maakt dat goed waarin zij goed of goedkoop is’) en dus ook de welvaart. In Europa probeert men de koers binnen een vooraf afgesproken bandbreedte te houden, rondom een vooraf afgesproken spilkoers, middels enerzijds valuta-interventie door centrale banken of anderzijds via het rente-beleid van de centrale banken. Helpen deze twee maatregelen niet, dan is een aanpassing van de afspraak nodig, d.w.z. de spilkoers met bandbreedte wordt verhoogd of verlaagd. Dit is echter geen zaak voor de centrale banken, maar voor de Raad van Minister van Financiën uit de Europese landen; dan revalueert of devalueert men de koers van zo’n valuta.

Dus kort geldt:

Valuta interventie door centrale banken:

Rentebeleid door centrale banken:

Revaluatie/devaluatie door ministers:

Binnen Europa gaan we natuurlijk naar 1 valuta toe in 2002, de EURO (binnen de zgn. E.M.U.= Europese Monetaire Unie, waar het E.M.S. dus een voorloper van is!) met als uiteindelijk doel de internationale handel en welvaart te bevorderen.