Simon Carmiggelt ('s-Gravenhage 1913 Amsterdam 1987) werd enkele jaren voor de Tweede Wereldoorlog journalist en ontwikkelde zich tot een der meest vooraanstaande publicisten van Nederland. Hoewel zijn werk de hedendaagse lezers kennelijk weer wat minder aanspreekt, waren zijn verhalen in de jaren vijftig, zestig en zeventig ongekend populair bij vrijwel alle lezers. Hij was sinds 1946 vast medewerker aan Het Parool (aan welke verzetskrant hij in de oorlog meewerkte) en publiceerde hierin dagelijks en na zijn pensionering wekelijks een Kronkel (zijn pseudoniem als columnist). Zijn Kronkels getuigen van een goed waarnemingsvermogen, een trefzekere stijl en een zwaarmoedige visie op het leven. Als realist ziet hij het leven als een verrassende botsing van illusie en werkelijkheid. In feite is dat ook het wezen van de humor. Zijn humor stemt zeker niet alleen vrolijk. Het is vooral de kleine man die zijn sympathie heeft, en voorts kinderen en huisdieren. Een keuze uit zijn Kronkels verscheen regelmatig in boekvorm. |
|
Een aardig voorbeeld van zijn schrijfstijl volgt hieronder. Omdat een Kronkel wel wat
veel ruimte zou vragen heb ik gekozen voor een gedicht van Carmiggelt, hij publiceerde
zijn gedichten onder de naam Karel Bralleput.
| DE HUMORIST Als knaap heb ik mijn eerste grap verzonnen O, in de aanvang ging het somtijds stroef Al schaterend schiep ik een klein bedrijfje, Al mijn agressies kan ik in dit vak |
![]() |
![]() |
Aanraders voor een leeslijst:
Vijftig dwaasheden (1940); Allemaal onzin (1948); Tussen mal en dwaas (1949); Klein beginnen (1950); Poespas (1952); Ping-pong (1954); Vliegen vangen (1955); Haasje over (1957); Een toontje lager (1959); Duiven melken (1960); Een stoet van dwergen (1961; bloemlezing.); Kroeglopen (1965); Fluiten in het donker (1966).