Poëzie

Voor dichters is niet alleen de inhoud van de tekst belangrijk, maar ook de vorm waarin hij gegoten is. Dat geldt voor proza-schrijvers natuurlijk ook wel, maar voor dichters geldt dat in veel sterkere mate. Dichters hebben de neiging veel te vertellen in weinig, goed gekozen woorden. Gedichten heten niet voor niets 'gedichten': ze zijn 'gedicht' en moeten door de lezer 'geopend' worden. Voor dat 'openen' van gedichten heeft de lezer twee gereedschappen tot zijn beschikking. Ten eerste kan hij/zij zijn kennis over beeldspraak en stijlfiguren (zie huiswerkhulp daarover) gebruiken. Daarnaast kan hij zijn kennis over rijm, metrum en strofenbouw gebruiken. Die kennis kun je in deze huiswerkhulp vergaren.

I Rijm

Soort rijmklank
Er bestaan drie soorten rijmklanken: volrijm, assonantie (halfrijm) en alliteratie (halfrijm)

Volrijm
Bij volrijm is er klankovereenkomst van zowel de klinkers als de medeklinkers:
Gaan - staan. Deze vorm, waarbij de beklemtoonde lettergreep niet gevolgd wordt door een andere, noem je mannelijk of staand rijm
Kopen - lopen. Deze vorm, waarbij de beklemtoonde lettergreep wel gevolgd wordt door een andere, noem je vrouwelijk of slepend rijm.
Hinderen - kinderen. Deze vorm, waarbij de beklemtoonde lettergreep gevolgd wordt door twee onbeklemtoonde lettergrepen, noem je glijdend rijm.

Assonantie (klinkerrijm)
Bij assonantie is er alleen klankovereenkomst van de klinkers:
Het waren twee conincskinderen
Si hadden malcander so lief
Si conden bijeen niet comen
Het water was veel te diep

Alliteratie (medeklinkerrijm)
Bij alliteratie is er klankovereenkomst van de beginmedeklinkers:
Zeven zwarte zwanen zwommen zwoegend door de zwarte zee
De titels van de beroemde stripboekenserie Suske en Wiske allitereren vaak:
'De nerveuze Nerviërs', 'De koddige kater', 'De mollige meivis', 'Het statige standbeeld' enz.


Als aan het eind van twee regels er volledige overeenkomst van klanken is, spreek je van rime riche (rijk rijm):

Gewapend trokken wij verder
En zochten naar Moskou onze weg
Naarmate wij vorderden
Trokken de Russen verder weg

Plaats van de rijmklanken

Eindrijm
De rijmklanken staan aan het eind van de versregels:
Hoe ik mijn haar ook kam, bij kaars- of neonlicht:
Wat er ontstaat is nooit een eigentijds gezicht

Binnenrijm
Binnen één versregel staan meerdere volrijmen:
Ik ben geboren uit zonnegloren

Middenrijm
De rijmklanken staan in het midden van twee opeenvolgende regels, min of meer onder elkaar:
Als ik loop over de straat
En dan hoop dat jij gaat

Voorrijm
Aan het begin van twee opeenvolgende regels staan volrijmen:
Ruisende wanden en schitterende zalen
Bruisende beken en rammelende schalen

Overlooprijm
Het laatste woord van een versregel rijmt op het eerste woord van de volgende versregel:
Heer Schimmelpenninck weet van sparen
Jaren at hij boter, vlees noch vis

Dubbelrijm
Een vorm van eindrijm, waarbij aan het einde van twee versregels niet één, maar twee rijmklanken staan:
Komt ooit een ware leeuw rechtstreeks op u aan
Dan is 't beste om maar regelrecht uit den weg te gaan
Doch niet als hij opgezet of dood is
Daar er in dat geval volstrekt geen nood is

Rijmschema's
Bij eindrijm in een gedicht met strofes wordt vaak een bepaalde volgorde aangehouden van de rijmklanken. Je noemt dat: rijmschema. Er bestaan verschillende rijmschema's:
(de letters a, b, c, d, f staan voor verschillende rijmklanken.)

Er zijn nu eenmaal van die dagen (a)
Dat men de briefbesteller haat (b)
En 't wandelend publiek op straat (b)
Met stokken uit elkaar wil jagen (a) (omarmend rijm)

Ik haat vandaag de groenteman (c)
En alle wezens in het huis (d)
Die nare kat van Kooi incluis (d)
Die het toch ook niet helpen kan (c) (omarmend rijm)


De volgende rijmschema's voor vierregelige strofes kunnen worden onderscheiden:

Slagrijm: a a a a b b b b

Gekruist rijm: a b a b c d c d

Omarmend rijm: a b b a c d d c

Gepaard rijm: a a b b c c d d

Gebroken rijm: a b c b d e f e of: a b a c d e d f

Voor drieregelige strofes:

Verspringend rijm: a b c a b c d e f d e f

Kettingrijm: a b a b c b c d c d e d

II Metrum

Veel gedichten kun je 'op de maat' lezen, alsof het een wandelversje is. Dat komt door de regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. Vooral de wat oudere gedichten zijn vaak met een duidelijk metrum gemaakt. Er zijn verschillende soorten versvoeten:
v = onbeklemtoond
- = beklemtoond

Jambe: v -

Trochee: - v

Anapest: v v -

Dactylus: - v v

Amfibrachus: v - v

Spondeus: - -


Voorbeeld:

v - v v - v v - v (3x amfibrachus)
Er was eens een kerel in Lisse
v - v v - v v - v (3x amfibrachus)
Die stond aan de slootkant te vissen
v - v v - (1x amfibrachus + 1x jambe)
Wie had dat gedacht
v - v v - (1x amfibrachus + 1x jambe)
Wie had dat verwacht
v - v v - v v - v (3x amfibrachus)
Maar ach toch je kan je vergissen

Het neerzetten van de tekens 'v' en ' - ' , het verdelen van de versregel in beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen dus, noem je scanderen.

Hexameter: een versregel die bestaat uit zes dactylen

Pentameter: een versregel die bestaat uit vijf dactylen

Alexandrijn:
een versregel die bestaat uit zes jamben

Antimetrie: In het gedichtje hierboven zie je dat in de derde en vierde regel tegen de versmaat wordt ingegaan. Na de amfibrachus komt er een jambe. Als een dichter zoiets doet spreek je van antimetrie.

Enjambement: Eén van de belangrijkste fouten die gemaakt worden bij het lezen van gedichten, is het niet doorlezen op de volgende regel. Lezers hebben sterk de neiging een stop te maken aan het eind van een versregel, zeker als er sprake is van eindrijm. Daardoor wordt een gedicht soms totaal onbegrijpelijk. Als er een rijmwoord aan het eind staat, wil dat nog niet zeggen dat de zin daar ook afgelopen is. Als je bij het rijmwoord aan het eind van een versregel geen pauze moet nemen, maar door moet lezen in de volgende versregel, spreek je van enjambement:

Dat jij misprijzend hoger zat en alles van mij wist,
Vond ik te veel vernedering;
Veel erger dan alleen wat machteloze botjes in een kist
Te zijn en toch herinnering

III Strofenbouw

Zoals prozateksten zijn ingedeeld in alinea's, zijn poëzieteksten (vaak) ingedeeld in strofes. Het is net zoiets als bij popsongs waar je de liedjes verdeeld in coupletten en refreinen. Zo'n couplet of refrein heeft dan telkens weer hetzelfde aantal regels. In de poëzie hebben ze daar uiteraard namen voor bedacht:

Distichon: een strofe van twee regels

Terzine: een strofe van drie regels

Kwatrijn: een strofe van vier regels

Quintet: een strofe van vijf regels

Sextet: een strofe van zes regels

Septet: een strofe van zeven regels

Octaaf: een strofe van acht regels


Sommige dichtvormen bestaan uit een vaststaand aantal regels. De belangrijkste worden hieronder behandeld:

Sonnet: Deze dichtvorm bestaat al sinds de dertiende eeuw en is afkomstig uit Italië (Dante, Petrarca). Een sonnet bestaat uit veertien regels die in vier strofen zijn verdeeld. Twee strofen van vier versregels (twee kwatrijnen, samen het octaaf) en twee van drie versregels (twee terzines, samen het sextet). Na het octaaf komt er een chute, d.w.z. een duidelijke verandering in de inhoud. Het rijmschema van een sonnet is: abba abba cdc dcd.

Ballade: Oorspronkelijk een gedicht van drie strofen van elk acht tot twaal versregels met aan elke strofe een 'envoi'(soort refrein) of een 'prince-strofe' (de beschermheer van de dichter die wordt aangesproken) aan het eind. Later is de ballade de aanduiding geworden van alle verhalende gedichten over heldendaad en liefdesleed.

Ode: Een lofdicht. In de ode wordt een held, jubilaris, trouwe echtgenoot enz. bezongen.

Hymne: Ook een lofdicht, maar dan aan God of een godheid.

Elegie: Klaagzang, waarin een dierbare overledene wordt bezongen.

Satire: Een spottend gedicht.

Epigram: Wordt ook wel 'puntdicht' genoemd. Een puntig, kort gedicht met een geestige of knappe clou. Vaak bevat een epigram een woordspeling.
Hier ligt Gijs van Amerongen
In de grond geen kwade jongen

Limmerick: Een gedicht bestaande uit vijf versregels met als rijmschema aabba. Vaak is het laatste woord uit de eerste versregel een plaatsnaam. Het metrum is zeer strak. Zie voorbeeld hierboven 'er was eens een kerel in Lisse'.