Literaire termen

Als je een boekbespreking moet maken, krijg je bij het bestuderen van secundaire literatuur te maken met allerlei begrippen die worden gebruikt om een verhaal of roman te analyseren. In deze huiswerkhulp vind je veel van deze begrippen met een korte toelichting terug.

Tijd
De tijd speelt in een roman vaak een belangrijke rol. Tijd is een veelomvattend begrip, je kunt verschillende invalshoeken gebruiken om er iets over te zeggen. Een aantal passeren hier de revue.

Historisch: Allereerst kun je je afvragen in welke tijd de gebeurtenissen zich afspelen. Het is van belang enig idee te hebben van de sociale, politieke of culturele kleur van die tijd.

Vertelde tijd: De vertelde tijd is de hoeveelheid tijd (uitgedrukt in uren, weken, jaren
enz.) die verloopt vanaf het begin van een gebeurtenis of een reeks gebeurtenissen tot het einde ervan.

Verteltijd: (zie ook tijdverdichting, tijdvertraging) De verteltijd is de tijd die nodig is (gebruikt wordt} om een verhaalgebeuren te vertellen. De verteltijd wordt gewoonlijk uitgedrukt in aantallen woorden, regels of bladzijden.

Verhaalinzet: In de wijze waarop een verhaal begint kunnen we drie vormen onderscheiden: a) een verhaalinzet ab ovo, dit wil zeggen dat in het verhaal het begin van de verhaalgebeurtenissen ( de fabel) het eerst wordt verteld; b) een verhaalinzet in medias res wil zeggen dat ergens in het midden van de verhaalgebeurtenissen wordt begonnen; c) een verhaalinzet post rem wil zeggen dat het einde van de verhaalgebeurtenissen het eerst wordt verteld.

Chronologie
We spreken van chronologische verteltrant, als de verteller op een bepaald punt in de gebeurtenissen begint en dan door vertelt tot een bepaald eindpunt. Het chronologische principe hoeft niet in alle absoluutheid doorgevoerd te zijn; zolang stukjes verleden niet het karakter van een zelfstandige voorgeschiedenis krijgen en zolang de volgorde van vertellen maar dezelfde is als de volgorde waarin de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, is de verteltrant chronologisch. .
Korte terugverwijzing: Een korte terugverwijzing is een opmerking waarmee de verteller de lezer herinnert aan iets wat al aan de orde is geweest in het verhaal. De verteller legt hiermee de nadruk op zo'n mededeling of gebeurtenis, of hij onderstreept het belang ervan. De lezer kan ook zelf een bepaalde situatie of gebeurtenis als een herhaling uit het reeds vertelde herkennen.

Korte toekomstverwijzing (een prospectief aspect):
a) expliciet, onder een expliciete korte toekomstverwijzing verstaan we een opmerking waarmee de verteller vooruitwijst naar een later gedeelte in het verhaal, zodat er spanning wordt opgewekt bij de lezer. B.v. in EEN OPGEHOUDEN ONWEER (Jacques Hamelink}: Het was dus wel een wat vreemde jongen, maar dat zijn afwijking tot zo katastrofale gebeurtenissen zou leiden, had niemand kunnen voorzien.

b) impliciet, deze soort toekomstverwijzing wordt door de lezer niet onmiddellijk als zodanig herkend. Pas achteraf realiseert de lezer zich, dat een bepaalde opmerking een vooruitwijzend karakter heeft gehad.

Flashback (retrospectief aspect): Een flashback is een zelfstandige tijdlaag uit het verleden waarmee de chronologie van een verhaal wordt doorbroken.

Niet-chronologische verteltrant: We spreken van een niet-chronologische verteltrant, als de chronologie van een verhaal wordt doorbroken door "zelfstandige" stukken verleden ( die als het ware in hun geheel vóór het verhaal "geplakt" zouden moeten worden).

Continuïteit
Continu vertellen
: wil zeggen dat een verhaal continu,zonder tijdsprongen, wordt verteld.

Tijdverdichting: Minder belangrijke episoden worden soms in weinig tekst globaal samengevat; dit globaal samenvatten van een wat langere, maar niet zo belangrijke episode heet tijdverdichting.

Tijdsprong/tijdverdichting: Een schrijver kan op twee manieren omspringen met een minder relevante episode:
a) Hij kan zo'n stuk tijd gewoon weglaten: tijdsprong (niet-continu);
b) hij kan zo'n episode globaal samenvatten: tijdverdichting (continu).

Niet-continu vertellen: We spreken van niet-continu vertellen, als een verhaal bestaat uit een aantal losse (niet op elkaar aansluitende) stukken, waartussen een "stuk tijd"ontbreekt". De losse stukken verhaal noemen we scènes (zoals in een toneelstuk); het verhaal heeft dan een scenische opbouw.

Tijdlaag: Onder een tijdlaag verstaan we een periode binnen de vertelde tijd (van het verhaal) waarin een gebeurtenis of reeks gebeurtenissen valt. Voor het vaststellen van de "omvang" van een tijdlaag moeten soms verhaalpassages van diverse plaatsen worden samengevoegd.

Personages/Verhaalfiguren
Verhaalfiguren zijn in een verhaal optredende mensen of vermenselijkte dieren of dingen. Zij kunnen op drie manieren aan de lezer worden gepresenteerd:
-door hun eigen handelen (denken, doen, zeggen);
-door waarnemingen en /of reacties van andere verhaalfiguren;
-door rechtstreekse mededelingen van de verteller.

Een round character: is een verhaalfiguur die in de loop van het verhaal geleidelijk wordt onthuld, (zoals wij in het dagelijks leven geleidelijk aan iemand beter leren kennen). Een round character kan in de loop van het verhaal veranderen (karakterontwikkeling)

Een flat character
: is een verhaalfiguur die in kort bestek volledig wordt gepresenteerd en niet meer verandert. Een flat character met zeer weinig, sterk aansprekende karaktertrekken of zelfs één duidelijke, overheersende eigenschap (bijv. de vrek, de charmeur, de schlemiel) noemen we een type.

Ruimte
De handeling van verhaalfiguren speelt zich altijd af in ruimte. Onder ruimte verstaan we de plaats, de omgeving en de omstandigheden (ook de weersomstandigheden).

Ruimtewerking: Onder ruimtewerking verstaan we de intensiverende invloed van de ruimte op de lotgevallen van de verhaalfiguren.

a) Ruimtewerking door overeenkomst:
Deze ontstaat indien plaats, omgeving en/of omstandigheden in overeenstemming zijn met de lotgevallen van de verhaalfiguren. Je kunt hierbij denken aan een begrafenis van een geliefde, waarbij weersomstandigheden als regen en vallende bladeren het trieste gevoel versterken.
b) Ruimtewerking door contrast: Deze ontstaat indien plaats, omgeving en/of omstandigheden een tegenstelling vormen met de lotgevallen van de verhaalfiguren. Bijvoorbeeld op een vol zonnig strand met vrolijke mensen ontstaat een ruzie tussen twee geliefden.

Point of view/ perspectief

Schrijver/auteur: Onder schrijver verstaan we de persoon die, hetzij anoniem, hetzij onder zijn werkelijke naam of onder een pseudoniem het werk heeft geschreven.

Verteller: Onder verteller verstaan we de vertelinstantie die de lezer over de gebeurtenissen informeert en die niet zonder meer gelijkgesteld mag worden met de schrijver/auteur.

Ikverteller: Er is sprake van een ikverteller, als één van de bij de gebeurtenissen betrokken verhaalfiguren als verteller optreedt in de eerste persoon enkelvoud (ik). In zo'n geval kan zich een splitsing voordoen tussen:
a) optredend of belevend ik: de verteller vertelt met het gebeuren mee, dit wordt met een Franse term ook wel vision avec genoemd;
b) (achteraf) vertellend ik: de ikverteller levert vanuit het "nu" commentaar op vroegere gebeurtenissen waarvan hij afstand heeft genomen (in de tijd), ook wel vision par derrière genoemd

Personale vertelsituatie: Bij de personale vertelsituatie blijft het zicht van de lezer beperkt tot wat één verhaalfiguur denkt, hoort, ziet, voelt, droomt enz. en is het verhaal geschreven in derde persoon enkelvoud (hij/zij). Deze vertelsituatie noemt men ook wel de "verhulde ikvorm" .

Bij zowel de ikverteller als de personale vertelsituatie kan er sprake zijn van een onbetrouwbaar perspectief, juist doordat het zicht van de lezer beperkt blijft tot wat één verhaalfiguur denkt, hoort, ziet, voelt, droomt enz. In DE DONKERE KAMER VAN DAMOKLES (W.F. Hermans) blijft het zicht van de lezer op de gebeurtenissen het grootste deel van de roman beperkt tot wat Osewoudt denkt, doet, enz. , als dan het perspectief op de gebeurtenissen bij iemand anders komt te liggen, blijkt alles anders te zijn (of toch niet…).

Alwetende verteller: Er is sprake van een alwetende verteller als de "vertellende instantie"
a) een overzicht van het hele gebeuren heeft en ook de afloop van de gebeurtenissen kent;
b) op de hoogte is van niet alleen de gedachten, gevoelens, enz. van één verhaalfiguur, doch van meer dan één.
Auctoriale verteller: Er is sprake van een auctoriale verteller als je te maken hebt met een alwetende verteller die bovendien:
c) commentaar levert op het verhaalgebeuren en
d) zich rechtstreeks richt tot de lezer of toehoorder.
Je zou deze vertelinstantie kunnen vergelijken met een marionettenspeler: hij heeft de touwtjes in handen en ieder verhaalpersonage doet wat de speler wil. Met een verwijzing naar de Griekse oudheid wordt dit ook wel de Olympian point of view genoemd, de verteller die als Zeus zijn (roman)wereld bestiert.

Camerastandpunt: Er is sprake van camerastandpunt, als de "vertelinstantie" een gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen objectief registreert.

Handeling
Fabel: de fabel is een schematische weergave van de gebeurtenissen in het verhaal, weergegeven in chronologische volgorde en "logisch" verbonden. Flashbacks worden hier dus buiten beschouwing gelaten en in de juiste chronologie ingepast.

Thema: Het thema is de kortste aanduiding van het centrale probleem waarover het verhaal gaat! In veel van de werken van W.F. Hermans is bijvoorbeeld chaos en de schijnorde die mensen proberen aan te brengen om de chaos te boven te komen, het thema.

Motief
Een motief is een klein, af en toe terugkerend element in kunst (een weefmotief, ritmische motieven in een melodie). In een verhaal een af en toe opvallend terugkerend stukje tekst (woord, woordgroep, een aantal zinnen) of situatie die je herkent ( "meer van hetzelfde") Je kunt verschillende soorten motieven onderscheiden:
a) Literair (-historisch) motief: is een motief dat voorkomt in literaire werken van verschillende schrijvers uit diverse landen en diverse tijden; het Oedipusmotief is bijvoorbeeld een motief dat door vele schrijvers in de loop der eeuwen is gebruikt: een jongeman neemt de plaats in van zijn vader ( en trouwt met zijn moeder).
b) Schrijversmotief: is een motief dat voorkomt in diverse werken \uit het oeuvre van één schrijver; bijvoorbeeld de afrekening met het geloof bij Maarten 't Hart en Jan Wolkers.
c) Verhaalmotief: is een motief dat voorkomt binnen het kader van één verhaal; bijvoorbeeld de scarabee in HORRIBLE TANGO (Jan Wolkers) die op de achterflap naast Wolkers' hoofd staat afgebeeld en in het verhaal op verschillende plaatsen terugkeert als een nachtvlinder (die lijkt op een scarabee).

Geleding
Een verhaal krijgt geleding door inhoudelijke wisseling, bijv. door tijdsprongen, ruimtewisseling, wijziging in het personagebestand, overstap van dialoog naar beschrijving, beschouwing of wisseling van het perspectief.
Uiterlijke geleding is de indeling in hoofdstukken, hoofdstukdelen (aangegeven door regels wit
nummers, ondertitels etc.), alinea's maar ook door typografische variatie (romein, cursief etc.) Dit laatste komt bijvoorbeeld voor in HET STENEN BRUIDSBED (H. Mulisch) waarin het verhaalheden wordt afgewisseld met een cursief waarin het verhaalverleden (in de vorm van homerische zangen) wordt geschilderd.

Spanning
Spanning moeten we zeer ruim interpreteren als de drang tot doorlezen. Deze drang kan de schrijver teweeg brengen door bewust informatie te doseren (en soms achter te houden), door in te spelen op het rechtvaardigheidsgevoel bij de lezer, door te boeien op welke wijze dan ook.

Waar moet je ook nog aan denken…
Veel van de hierboven genoemde termen vind je terug in literaire naslagwerken, ze zijn geen doel op zich, maar maken het handiger over boeken te praten. Bij zo'n gesprek zullen echter ook nog de volgende zaken aan de orde kunnen komen.

Titel
Je moet altijd proberen een verklaring van de titel te geven; soms ligt die zeer voor de hand (Bint = hoofdpersoon in het boek), soms moet je een symbolische of figuurlijke betekenis kunnen aangeven, bijv. DE DONKERE KAMER VAN DAMOKLES.

Ondertitel
Soms geeft een schrijver zijn roman een ondertitel mee, ook die moet je verklaren, BINT heeft als ondertitel 'roman van een zender'. Wie is dan de zender en wie de ontvanger?

Motto
Een motto is een stukje tekst dat een auteur heeft ontleend aan het werk van een andere schrijver, het kan zowel een stukje proza zijn als een paar dichtregels of een stukje uit een songtekst. Een motto heeft altijd te maken met de inhoud van het literaire werk en je kunt het -als het er is - vinden voor het 'echte verhaal' begint. Je moet proberen het motto en het verhaal met elkaar te verbinden, in DE AANSLAG van Harry Mulisch staat het volgende motto:
Overal was het al dag,
maar hier was het nacht,
neen,
meer dan nacht.
C. Plinius Caecilius Secundus, Epistulae, VI, 16

Voor de doorsneelezer is het niet zo gemakkelijk de betekenis van dit motto te achterhalen, maar daarvoor hebben we dan ook literaire naslagwerken. Als je die raadpleegt, kom je er achter dat de schrijver een Romeins historicus was, die dit schreef naar aanleiding van de uitbarsting van de vulkaan Vesuvius in 79 na Chr. Eigenlijk heb je verder alleen je eigen voorstellingsvermogen nodig om je te realiseren wat de betekenis van dit motto voor de roman verder is.

Opdracht
Soms wordt een boek door een schrijver opgedragen aan iemand, hij doet dat dan door dat voor in het boek te vermelden, in HET BITTERE KRUID van M. Minco staat als opdracht: 'Aan de nagedachtenis van mijn ouders, Dave en Lotte, Bettie en Hans.'

Suggesties
Voor literaire naslagwerken kun je meestal goed terecht in de bibliotheek, veel scholen hebben tegenwoordig ook een goed uitgeruste mediatheek. Goede naslagwerken zijn bijvoorbeeld:
Kritisch Literatuur Lexicon
Lexicon van Literaire Werken
Memoreeks, analyse en samenvatting van literaire werken (één boektitel per deeltje)
Eerste druk jaartal; hierin wordt per jaargang een keuze uit de verschenen literaire werken besproken.