|
Continuïteit
Continu vertellen: wil zeggen dat een verhaal continu,zonder
tijdsprongen, wordt verteld.
Tijdverdichting: Minder belangrijke episoden worden
soms in weinig tekst globaal samengevat; dit globaal samenvatten
van een wat langere, maar niet zo belangrijke episode heet
tijdverdichting.
Tijdsprong/tijdverdichting: Een schrijver kan op twee
manieren omspringen met een minder relevante episode:
a) Hij kan zo'n stuk tijd gewoon weglaten: tijdsprong
(niet-continu);
b) hij kan zo'n episode globaal samenvatten: tijdverdichting
(continu).
Niet-continu vertellen: We spreken van niet-continu
vertellen, als een verhaal bestaat uit een aantal losse (niet
op elkaar aansluitende) stukken, waartussen een "stuk
tijd"ontbreekt". De losse stukken verhaal noemen
we scènes (zoals in een toneelstuk); het verhaal heeft
dan een scenische opbouw.
Tijdlaag: Onder een tijdlaag verstaan we een periode
binnen de vertelde tijd (van het verhaal) waarin een gebeurtenis
of reeks gebeurtenissen valt. Voor het vaststellen van de
"omvang" van een tijdlaag moeten soms verhaalpassages
van diverse plaatsen worden samengevoegd.
Personages/Verhaalfiguren
Verhaalfiguren zijn in een verhaal optredende mensen of vermenselijkte
dieren of dingen. Zij kunnen op drie manieren aan de lezer
worden gepresenteerd:
-door hun eigen handelen (denken, doen, zeggen);
-door waarnemingen en /of reacties van andere verhaalfiguren;
-door rechtstreekse mededelingen van de verteller.
Een round character: is een verhaalfiguur die in de
loop van het verhaal geleidelijk wordt onthuld, (zoals wij
in het dagelijks leven geleidelijk aan iemand beter leren
kennen). Een round character kan in de loop van het verhaal
veranderen (karakterontwikkeling)
Een flat character: is een verhaalfiguur die in kort bestek
volledig wordt gepresenteerd en niet meer verandert. Een flat
character met zeer weinig, sterk aansprekende karaktertrekken
of zelfs één duidelijke, overheersende eigenschap
(bijv. de vrek, de charmeur, de schlemiel) noemen we een type.
Ruimte
De handeling van verhaalfiguren speelt zich altijd af in ruimte.
Onder ruimte verstaan we de plaats, de omgeving en de omstandigheden
(ook de weersomstandigheden).
Ruimtewerking: Onder ruimtewerking verstaan we de
intensiverende invloed van de ruimte op de lotgevallen van
de verhaalfiguren.
a) Ruimtewerking door overeenkomst: Deze ontstaat indien
plaats, omgeving en/of omstandigheden in overeenstemming zijn
met de lotgevallen van de verhaalfiguren. Je kunt hierbij
denken aan een begrafenis van een geliefde, waarbij weersomstandigheden
als regen en vallende bladeren het trieste gevoel versterken.
b) Ruimtewerking door contrast: Deze ontstaat indien
plaats, omgeving en/of omstandigheden een tegenstelling vormen
met de lotgevallen van de verhaalfiguren. Bijvoorbeeld op
een vol zonnig strand met vrolijke mensen ontstaat een ruzie
tussen twee geliefden.
Point of view/ perspectief
Schrijver/auteur: Onder schrijver verstaan we de persoon
die, hetzij anoniem, hetzij onder zijn werkelijke naam of
onder een pseudoniem het werk heeft geschreven.
Verteller: Onder verteller verstaan we de vertelinstantie
die de lezer over de gebeurtenissen informeert en die niet
zonder meer gelijkgesteld mag worden met de schrijver/auteur.
Ikverteller: Er is sprake van een ikverteller, als
één van de bij de gebeurtenissen betrokken verhaalfiguren
als verteller optreedt in de eerste persoon enkelvoud (ik).
In zo'n geval kan zich een splitsing voordoen tussen:
a) optredend of belevend ik: de verteller vertelt met
het gebeuren mee, dit wordt met een Franse term ook wel vision
avec genoemd;
b) (achteraf) vertellend ik: de ikverteller levert
vanuit het "nu" commentaar op vroegere gebeurtenissen
waarvan hij afstand heeft genomen (in de tijd), ook wel vision
par derrière genoemd
Personale vertelsituatie: Bij de personale vertelsituatie
blijft het zicht van de lezer beperkt tot wat één
verhaalfiguur denkt, hoort, ziet, voelt, droomt enz. en is
het verhaal geschreven in derde persoon enkelvoud (hij/zij).
Deze vertelsituatie noemt men ook wel de "verhulde ikvorm"
.
Bij zowel de ikverteller als de personale vertelsituatie
kan er sprake zijn van een onbetrouwbaar perspectief, juist
doordat het zicht van de lezer beperkt blijft tot wat één
verhaalfiguur denkt, hoort, ziet, voelt, droomt enz. In DE
DONKERE KAMER VAN DAMOKLES (W.F. Hermans) blijft het zicht
van de lezer op de gebeurtenissen het grootste deel van de
roman beperkt tot wat Osewoudt denkt, doet, enz. , als dan
het perspectief op de gebeurtenissen bij iemand anders komt
te liggen, blijkt alles anders te zijn (of toch niet
).
Alwetende verteller: Er is sprake van een alwetende
verteller als de "vertellende instantie"
a) een overzicht van het hele gebeuren heeft en ook
de afloop van de gebeurtenissen kent;
b) op de hoogte is van niet alleen de gedachten, gevoelens,
enz. van één verhaalfiguur, doch van meer dan
één.
Auctoriale verteller: Er is sprake van een auctoriale verteller
als je te maken hebt met een alwetende verteller die bovendien:
c) commentaar levert op het verhaalgebeuren en
d) zich rechtstreeks richt tot de lezer of toehoorder.
Je zou deze vertelinstantie kunnen vergelijken met een marionettenspeler:
hij heeft de touwtjes in handen en ieder verhaalpersonage
doet wat de speler wil. Met een verwijzing naar de Griekse
oudheid wordt dit ook wel de Olympian point of view genoemd,
de verteller die als Zeus zijn (roman)wereld bestiert.
Camerastandpunt: Er is sprake van camerastandpunt,
als de "vertelinstantie" een gebeurtenis of reeks
van gebeurtenissen objectief registreert.
|