Elke schrijver, ook jij, heeft zijn eigen stijl. Die stijl
wordt bepaald door een aantal zaken. Om te beginnen is de
woordkeus belangrijk. Je kunt zeggen: Jan heeft zijn zusje
geslagen. Je kunt dat natuurlijk ook zo verwoorden: Jan heeft
zijn zusje op haar bek geramd. In beide zinnen wordt hetzelfde
verteld, maar in de ene zin wordt het woord 'geslagen' gebruikt
en in de andere zin de woorden 'op haar bek geramd'. Dat is
dan een verschil in stijl.
Zinsbouw is ook belangrijk voor het tot stand komen van een
eigen stijl. Sommige schrijvers maken veel lange, ingewikkelde
zinnen, andere daarentegen gebruiken juist veel korte zinnen.
Ook dat bepaalt de stijl van schrijven. De stijl van schrijven
van de schrijver Jan Wolkers bijvoorbeeld wordt gekenmerkt
door het gebruik van veel korte zinnen.
Naast woordkeus en zinsbouw bepaalt ook het gebruik van stijlfiguren
en beeldspraak de stijl van een schrijver. Stijlfiguren zijn
een soort 'taaltrucjes' die een schrijver toepast om zijn
stuk levendiger te maken. Bij beeldspraak is er sprake van
figuurlijk taalgebruik waarbij de vergelijking een belangrijke
rol speelt. De meeste stijlfiguren en de beeldspraak worden
hierna besproken.
Stijlfiguren
1. Inversie In een gewone Nederlandse zin krijg je eerst het onderwerp
en daarna de persoonsvorm: Ik (ond.) heb (pv..) Jan vanochtend
nog gezien. Als je nou onderwerp en persoonsvorm omdraait
en je plaatst een ander zinsdeel voorop, spreek je van inversie:
Vanochtend heb ik Jan nog gezien. In dit zinnetje krijgt het
woord vanochtend meer nadruk. Inversie wordt dan ook gebruikt
om bepaalde woorden meer nadruk te geven (Kom jij vandaag
bij mij? Nee, morgen kom ik bij jou.)
2. Tautologie Bij een tautologie wordt iets twee keer, met verschillende
woorden gezegd: De kinderen waren aan het schreeuwen en gillen.
De woorden schreeuwen en gillen vormen een tautologie.
3. Pleonasme Bij een pleonasme wordt een betekenis die het hoofdwoord
al in zich heeft versterkt door een overbodig bijvoeglijk
naamwoord. Vaak leidt een pleonasme tot foutief Nederlands:
In Oostenrijk genoten zij van de stilte tijdens hun wandeling
door de witte sneeuw (= goed).
Het paard van Sinterklaas is een witte schimmel (=fout).
4. Hyperbool Hyperbool is een overdrijving: Ik heb bij de bushalte
een eeuw staan wachten.
Een eeuw is natuurlijk wel een beetje overdreven lang.
5. Enumeratie Bij een enumeratie worden een aantal gelijkwaardige zaken
opgesomd: Iedereen was op het feestje: Jan, Piet, Klaas, Henk,
Trudy, Chantal en Mieke.
Een enumeratie kan ook een opsomming van een aantal zinnen
zijn:
Wist u dat:
-Jochem Uytdehage twee gouden en één zilveren
medaille heeft gewonnen?
-Gretha Smit een zilveren medaille heeft gewonnen?
-Renate Groenewold ook een zilveren medaille heeft gewonnen?
6. Antithese Antithese is het moeilijke woord voor tegenstelling: In
Noorwegen is het 's winters ijskoud maar in Zuid-Spanje blijft
het lekker warm.
7. Paradox Een paradox is een schijnbare tegenstelling. De schrijver
lijkt zichzelf tegen te spreken, maar dat is niet zo. Je moet
er daarom goed over nadenken wat de schrijver eigenlijk bedoelt:
Slagen doe je door te mislukken (Harry Mulisch in: "De
Elementen")
Mulisch maakt hier duidelijk dat je van je fouten (mislukken)
kunt leren, waardoor je later een grotere kans hebt tot slagen.
Mulisch gebruikt de paradox trouwens vaak in zijn boeken.
8. Eufemisme Een eufemisme (spr. uifemisme) is een verzachtende manier
van uitdrukken. Meestal doe je dat om iemand niet te kwetsen:
Haar hond is vorige week heengegaan (=doodgegaan).
Zijn vader is gestorven aan k. (=kanker).
9. Understatement Het understatement lijkt veel op het eufemisme, maar er
is een groot verschil. Bij een understatement zeg je iets,
net als bij een eufemisme, in voorzichtige bewoording, maar
nu is het de bedoeling dat wat je bedoelt juist sterker overkomt.
Om een undertatement te kunnen begrijpen, moet je altijd de
situatie kennen waarin hij uitgesproken wordt.
In het stripboek "Asterix en de Britten" , waarin
trouwens veel understatements staan, haalt een Romeinse patrouille,
op zoek naar een vat met toverdrank, alle vaten uit een café.
De café-eigenaar kan zijn klanten dus niets meer schenken.
Hij staat toe te kijken als de Romeinen de vaten uit het café
rollen en merkt dan droog op: tamelijk vervelend, u ruïneert
mij. Dat het veel erger is dan tamelijk vervelend weet de
lezer uit de context en dus is tamelijk vervelend een understatement.
Net als die man wiens auto in de gracht was verdwenen die
opmerkte: Lastig, hoe kom ik nou thuis?
10. Litotes De litotes wordt vaak gebruikt door politici. Het is een
bevestiging door een ontkenning van het tegenovergestelde:
Interviewer: Mijnheer Zalm, gaat de belasting dit jaar nog
omlaag? Zalm: Het is niet onwaarschijnlijk dat de belasting
dit jaar nog naar beneden gaat. De woorden niet onwaarschijnlijk
vormen een litotes. Handig voor politici, want ze kunnen altijd
in een later stadium zeggen dat ze geen 'ja' gezegd hebben.
11. Retorische vraag Een retorische vraag is een vraag waarop de steller van
de vraag geen antwoord verwacht. Het antwoord ligt al in de
vraag besloten. Leraren gebruiken de retorische vraag vaak:
Ik had toch gezegd dat je die paragraaf moest leren?
12. Climax en anticlimax Een climax is een geleidelijke toeneming in kracht of
spanning. Dat kan binnen een zin, maar het kan ook over enkele
zinnen, of zelfs een hele tekst, zijn uitgesmeerd:
Toen ik vanmorgen naar buiten ging, waaide het een klein beetje.
Enkele uren later stond er al een stevige bries. Toen ik 's
avonds weer thuis kwam, kon ik nauwelijks vooruitkomen door
de storm die er inmiddels was ontstaan.
Bij een anticlimax neemt de kracht of de spanning juist af.
Het begrip 'anticlimax' wordt ook wel gebruikt als het einde
van een verhaal, roman of film nogal teleurstellend is.
13. Paralellisme Bij een paralellisme is er sprake van steeds eenzelfde,
zich herhalende zinsconstructie. Het effect is dat de tekst
een beetje plechtig gaat klinken. Meestal kom je het paralellisme
tegen in gedichten:
Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
Dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad
hoe lief ik je had
Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.
('Voor een dag van morgen', Hans Andreus)
het steeds herhaalde Vertel het aan en hoeveel ik van je hield
vormen hier het paralellisme.
14. Exclamatie Een exclamatie is gewoon een uitroep: Hoera! O Jee! Help!
15. Prolepsis Prolepsis is geïsoleerde voorop plaatsing van een
zinsdeel dat aandacht moet krijgen. Het verschil met inversie
(zie 1) is, dat er geen sprake hoeft te zijn van omkering
van onderwerp en persoonsvorm en dat de voorop plaatsing geïsoleerd
is:
Die vent, ik mag hem niet.
16. Ironie, sarcasme, cynisme Ironie is vriendelijke spot. In principe wordt het tegenovergestelde
gezegd van wat er bedoeld wordt. Bij sarcasme is hetzelfde
het geval, maar nu is het veel harder. Cynisme is nog harder
dan sarcasme. Het is vaak van de situatie, soms ook van de
persoon, afhankelijk of iets ironisch, sarcastisch of cynisch
is.
Moeder over haar zoontje van twee jaar oud: Onze Harry is
een echt boefje. (=ironie)
Leraar tegen leerling die net een 3 heeft teruggekregen voor
een proefwerk: Jij hebt zeker erg je best gedaan, toen je
dit proefwerk moest leren (=sarcasme).
Krijgsgevangene: De bewakers waren best aardig, ze sloegen
niet elke dag (=cynisme).
Beeldspraak
1. Vergelijking met als (polysyndetische vergelijking) Tussen het beeld en het bedoelde is een zekere overeenkomst.
Ze staan vlak bijelkaar en worden verbonden door het voegwoord
als:
Toen hij uit de sloot kwam, zag hij eruit als een varken.
Hij is hier het bedoelde, een varken is het beeld. Als een
varken noem je in dit verband de vergelijking met als. De
overeenkomst is de viesheid. Iemand die in een sloot is gevallen
zal er, net als het gemiddelde varken, niet al te schoon meer
uitzien.
2. Vergelijking zonder als (asyndetische vergelijking) Voor de vergelijking zonder als geldt hetzelfde als voor
de vergelijking met als, alleen het voegwoord 'als' ontbreekt
nu:
Haar handen, bedrijvige vlinders in de schijn van het theelichtje.
De handen, het bedoelde, zijn kennelijk druk aan het werk
waardoor ze lijken op de bedrijvigheid van vliegende vlinders
(het beeld).
3. Metafoor Bij een metafoor is er ook weer sprake van een vergelijking
die berust op overeenkomst, maar het bedoelde staat niet in
de zin/tekst alleen het beeld wordt genoemd. De meeste spreekwoorden
zijn of bevatten een metafoor.
De hemel, waarin grauwe bergen lood stonden.
Met grauwe bergen lood bedoelt de schrijver hier zware wolken.
De overeenkomst zit hem vooral in de kleur van het lood (donkergrijs)
en de wolken.
Hij haalde voor hem de kastanjes uit het vuur.
Kennelijk heeft de 'hij' in deze zin een vervelend of zelfs
gevaarlijk klusje voor iemand gedaan. Net als dat het vervelend
of gevaarlijk is (gepofte) kastanjes uit het vuur te moeten
halen.
4. Personificatie Een personificatie is eigenlijk een speciaal soort metafoor.
Iets levenloos krijgt menselijke/dierlijke kenmerken:
Het riviertje kabbelde vriendelijk door het groene dal.
Riviertjes kunnen natuurlijk niet vriendelijk zijn, dat is
een menselijke/dierlijke eigenschap.
5. Metonymia Net als bij de metafoor wordt bij de metonymia wel het
beeld maar niet het bedoelde genoemd. Groot verschil is, dat
er géén overeenkomst is tussen het beeld en
het beoelde. Er is wel een zekere relatie. Er zijn veel relaties
mogelijk, maar de volgende drie komen het meeste voor:
- pars pro toto
Er wordt een deel genoemd, terwijl het geheel bedoeld wordt:
Wil dat rode truitje achter in de klas nu eindelijk haar mond
dichthouden.
Bedoeld wordt natuurlijk: het meisje dat een rood truitje
aanheeft.
Het schip was bemand met vijtig koppen.
Maak je niet ongerust, de rest van de matrozen zit er ook
aan vast.
- totem pro parte
Er wordt een geheel genoemd, terwijl slechts een deel bedoeld
wordt:
Wij hebben thuis een Van Gogh aan de muur hangen.
Volgens mij gaat dat stinken. Bedoeld wordt natuurlijk: een
schilderij van de schilder Van Gogh.
Nederland heeft gewonnen met 6 - 0.
Bedoeld wordt hier natuurlijk het Nederlandse voetbal- of
hockeyteam.
- metonymisch gebruikt adjectief
Er wordt een adjectief (bijvoeglijk naamwoord) gebruikt dat
niet in verband staat met het zelfstandig naamwoord waar het
voor staat, maar meestal iets meedeelt over een levend wezen
dat ermee in verband gebracht kan worden:
Een luie stoel
Niet de stoel is lui, maar degene die erin zit.
Benauwd weer
Niet het weer is benauwd, het is weer waar de mensen het benauwd
van krijgen.
Vallende ziekte
Niet de ziekte valt, maar degene die aan de ziekte lijdt,
valt steeds.