Harry Mulisch - DE AANSLAG (1982)
Zouden we niet via de titel 'De aanslag' ingeleid worden in de sfeer van dreiging en
spanning, dan geschiedt dit al dadelijk door de Proloog. Verkort weergegeven lezen we
aldaar:
'Aan de kade stonden vier huizen niet ver van elkaar. Elk droeg een brave, burgerlijke
naam uit onbezorgder dagen: Welgelegen, Buitenrust, Nooitgedacht en Rustenburg.
Het is januari 1945. We worden verplaatst naar het interieur van Buitenrust, waar de
familie Steenwijk zich om de tafel zet voor een spelletje mens-erger-je-niet, alvorens ze
vroeg naar bed zal gaan, wegens het gebrek aan verlichting en verwarming.
Omdat de sfeertekening in de aanhef van deze eerste episode zo herkenbaar voor diegenen
die jeugdherinneringen aan de bezettingstijd hebben is weergegeven volgt deze pagina
hieronder:
Citaat uit De Aanslag:
1
'Het was avond, rond halfacht. De salamander had een paar uur zacht gebrand op wat
houtblokken, maar nu was hij weer koud. Met zijn ouders en Peter zat hij aan tafel in de
achterkamer. Op een bord stond een zinken cilinder ter grootte van een bloempot; uit de
bovenkant stak een dunne pijp die zich splitste als een ypsilon, en uit gaatjes aan de
uiteinden bliezen twee spitse, verblindend witte vlammetjes schuin tegen elkaar in. Dat
instrument wierp zijn ontzielde licht door de kamer, waar in de scherpe schaduwen ook
drogend wasgoed te zien was, alles herhaaldelijk versteld, keukengerei, stapeltjes
ongestreken hemden, een hooikist om eten warm te houden. Ook twee soorten boeken uit zijn
vaders studeerkamer: de rij op het buffet was om te lezen, de stapel romannetjes op de
grond om het noodkacheltje mee aan te maken, waarop gekookt werd als er wat te koken was;
kranten verschenen al sinds maanden niet meer.
Behalve het slapen, speelde het huiselijk leven zich alleen nog in de voormalige eetkamer
af.
De schuifdeuren waren dicht. Er achter, aan de straatkant lag de zitkamer waar zij de hele
winter niet geweest waren. Om zo veel mogelijk kou buiten te houden, bleven de gordijnen
daar ook overdag gesloten, zodat het van de kade af leek of het huis onbewoond was.
Het was januari 1945.
(Einde citaat).
Plotseling weerklinken op straat zes scherpe knallen: eerst één, dan twee snel achter
elkaar, na een paar seconden het vierde en vijfde schot. Even later een soort schreeuw en
dan nog een zesde'.
Peter, de oudere broer van de hoofdfiguur Anton, rent naar buiten, ziet, dat er een
aanslag is gepleegd op Ploeg, Haarlems gehate hoofdinspecteur van politie. Zijn moeder
roept hem binnen. Dan verschijnen buurman Korteweg en zijn dochter Karin. Dezen verslepen
het lijk, dat voor hun woning Nooitqedacht ligt, naar Buitenrust. Daarbij valt het op, dat
Karin achteruitloopt.
Peter doorziet het gevaar voor represailles: de Duitsers staken veelal het huis in brand
waarvoor een aanslag gepleegd was. De jongen rent opnieuw naar buiten, maar alvorens hij
erin slaagt, het lijk elders te leggen, duiken drie mannen op die hem onder vuur nemen.
Direct daarop volgen de Duitsers. Met het pistool van Ploeg in zijn hand, vlucht Peter het
huis van de Kortewegs binnen...
De deur bij de Steenwijks wordt ingetrapt. Vader en moeder worden afgevoerd en de
12-jarige Anton wordt meegetrokken naar een gereedstaande DKW.
Van daaruit ziet hij dat Buitenrust in brand wordt gestoken. Een vrachtwagen nadert, twee
aan twee geboeide gevangenen springen uit de laadbak. Daarna begint er een mitrailleur te
ratelen.
Anton brengt de nacht door op het politiebureau in Heemstede, in een vrijwel volledig
duistere cel. Hij is niet alleen, een jonge vrouw probeert hem te troosten. Hij voelt dat
ze dik, weerbarstig haar heeft.
Ze zegt hem: 'Je moet nooit vergeten dat het de moffen zijn, die jouw huis in brand hebben
gestoken... Ze zullen zeggen dat die illegalen wisten, dat er zulke dingen gebeuren, en
dat het dus hun schuld was'.
Anton weet daar geen raad mee:'Maar als dat zo is, dan is... dan is nooit iemand schuldig.
Dan kan iedereen maar doen'. Ze praat erover heen en vertelt hem van een nachtelijke
dwaaltocht, waarbij ze in het donker ging zitten wachten tot de zon opkwam. Toen bleek dat
ze vlak bij huis was. Ze heeft een vriend van wie ze houdt, maar hij weet het niet: 'Jij
bent de enige die het nu weet, al weet je niet wie ik ben en wie hij is. Hij heeft een
vrouw en twee kinderen, van jouw leeftijd, die hem nodig hebben, zoals jij je vader en je
moeder nodig hebt...'
Anton slaapt dan in. Na ongeveer een uur wordt hij wakker 'van het geschreeuw, dat jaren
lang door heel Europa heeft geschald'. Via de Ortskommandantur wordt hij naar zijn oom in
Amsterdam gebracht.
De 'tweede episode 1952' vangt aan met: 'De rest is naspel. De aswolk uit de vulkaan
stijgt naar de stratosfeer, draait om de aarde en regent nog jaren later op alle
continenten neer'.
Anton is een persoon die de dingen neemt zoals ze komen (Blz. 133). Maar als de 'as'
van de aanslag toch op hem neerdaalt, blijkt er een merkwaardige dualiteit in hem te
schuilen: Als zijn oom hem vertelt, dat zijn ouders gefusilleerd zijn, vraagt hij niet
naar details. Echter, het is de vraag of hij het niet wil weten, of dat hij de
verschrikkingen van de aanslag wil verdringen. Zo lezen we op blz. 40 als zijn vader
toegesnauwd wordt zijn hoed af te zetten: 'Anton drukte het weg en wilde dat hij er nooit
aan hoefde te denken, het mocht niet gebeurd zijn.
Nooit van zijn leven zou hij een bolhoed dragen, niemand mocht na de oorlog nog een hoed
dragen'.
Als hij een uitnodiging aanneemt voor een feestje in Haarlem, weet hij dat het niet goed
is: 'Hij mocht er nooit terugkomen, al kon hij hier later een baan van honderdduizend
gulden per jaar krijgen, - maar nu hij er eenmaal was, wilde hij voorgoed afscheid nemen,
nu meteen'. Hij bezoekt de kade en loopt bij mevrouw Beumer binnen. Hij zegt daar wel:
'Het leven gaat verder', maar hij gaat toch naar het gedachtenismonument. Als hij de zoon
van Ploeg ontmoet, vraagt hij zich af, wat hij met hem bespreken moet, maar hij nodigt hem
wel uit bij hem te komen.
Tegen Takes, de dader van de aanslag, merkt hij dan op, dat hij er geen behoefte aan heeft
al die dingen weer op te halen: 'Het is gebeurd zoals het gebeurd is, en daarmee klaar. Er
valt niets aan te veranderen, ook niet door het te begrijpen'. Maar hij zoekt toch opnieuw
contact met hem.
Dan blijkt, dat de vrouw uit de cel de vriendin van Takes was, Truus Coster genaamd. Ze
heeft ook een rol in het drama gespeeld. De verzetsman wil alles over haar weten, maar
Anton kan zich vrijwel alleen haar tedere gebaren herinneren. Het is al zolang geleden.
Even denkt hij aan een experiment met Lsd om zo haar woorden in zijn geheugen terug te
halen, maar hij verwerpt het. Hij zou dan de kans lopen, 'dat het helemaal niet
tevoorschijn kwam, maar iets anders, iets onverwachts, dat hij niet zou kunnen beheersen'.
Eerst veel later, te laat voor Takes schiet hem haar liefdesverklaring te binnen, via een
flits over haar nachtelijke dwaaltocht. (Dat is het geweldige in deze roman: alles speelt
mee, alles heeft zijn functie.)
Hoe zeer Truus hem geraakt heeft, blijkt als Anton beseft, dat hij zijn (eerste)
echtgenote gekozen heeft om haar oogopslag. Ofschoon hij zijn celgenote niet gezien heeft,
heeft hij zich wel een beeld gevormd van de wijze van haar kijken. Dat beeld vindt hij
terug bij Saskia. Tot zijn verbijstering bevestigt een foto van Truus, dat hun oogopslag
inderdaad identiek is. Ook hebben beide vrouwen hetzelfde dikke, weerbarstige haar.
Heeft Anton in Saskia Truus gezocht?
In 1981 loopt hij Karin Korteweg tegen het lijf, uit Nooitgedacht. Weer herkennen we die
dualiteit. Karin merkt zijn radeloosheid. "Als je niet praten wilt, moet je het
zeggen. Ik ga meteen weg". Anton hakkelt dan: "Nee - jawel... Ik moet alleen
even... Het overvalt me". Opeens was 'die vervloekte oorlogsavond' toch weer
verschenen.
Dan volgen de laatste onthullingen over de aanslag. De 'as' is volledig neergedaald.
'De aanslag' is niet alleen een adembenemende thriller, het boek bevat ook diverse
lagen: naast de dualiteit bij Anton wordt de lezer geconfronteerd met de invalshoek van
waaruit iedereen zijn handelwijze tracht te rechtvaardigen.
Als Anton alle achtergronden eindelijk kent, blijft hij met de vraag zitten die hij
reeds op 12-jarige leeftijd stelde: "Was iedereen schuldig of onschuldig?"