Het stenen bruidsbed
De roman Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch Haarlem) verscheen in 1959 als eerste
deel van de serie Literaire Reuzenpockets, uitgegeven door De Bezige Bij te Amsterdam.
Het stenen bruidsbed werd geschreven in opdracht van het Ministerie van Onderwijs,
Kunsten & Wetenschappen, en ontstond tussen 1956 en 1958. Blijkens een vermelding op
de slotpagina begon Mulisch eraan tijdens een verblijf in Dresden, de stad waar de
geschiedenis is gesitueerd. Hij reisde op dat moment door de DDR om zich te documenteren
voor de nooit voltooide roman Gratie voor de doden, die zou moeten gaan over een Duitse
oorlogsmisdadiger. Dat Het stenen bruidsbed zich afspeelt in de periode van Mulisch
'bezoek aan Dresden blijkt uit de vermelding van berichten in de media over
ongeregeldheden in Boedapest. Deze gebeurtenissen vormden de aanloop tot de Hongaarse
opstand van oktober-november 1956 tegen het communistische bewind.
De roman telt vijf delen en elf hoofdstukken. Een bijkomende eigenaardigheid is dat de
delen II, III en IV worden besloten met een zogenoemde zang. (Een homerische zang).
De schrijver heeft zijn tekst vooraf laten gaan door twee motto's, die zijn ontleend aan
de Ilias van Homerus en de Anna len van de Romeinse historicus Tacitus.
In deze roman staat - zoals vaak in het werk van Mulisch - de schuldvraag en de vraag
naar de verantwoordelijkheid centraal