Marga Minco Het bittere kruid
Het bittere kruid van Marga Minco (1927 te Ginneken) verscheen in 1957 in de
Ooievaar-reeks van de uitgevers Daamen en Bert Bakker. Tot dusver beleefde het boekje 34
drukken en werden er in het Nederlandse taalgebied ongeveer 400000 exemplaren van
verkocht. Daarnaast verschenen er talrijke vertalingen In 1958 werd het werk bekroond met
de Vijverbergprijs.
Het bittere kruid heeft een lange ontstaansgeschiedenis gehad. Het oudste gedeelte is
het veertiende verhaal 'De Lepelstraat'. Dit is in zijn oorspronkelijke vorm, heet van de
naald, ontstaan in 1942. Door de oorlogsomstandigheden raakte de schrijfster het verhaal
kwijt, maar vijftien jaar later heeft zij het woordelijk uit haar herinnering
opgeschreven. In 1948 ontstond 'Het tuinpoortje', de oerversie van het verhaal 'De
mannen'. 'Kampeerbekers'verscheen voor het eerst in een literair blad.
In mei 19566 publiceerde Marga Minco zes verhalen in Maatstaf onder de titel 'Het bittere
kruid, zes fragmenten uit een kleine kroniek'. Deze verhalen waren: 'Op een dag' (dat toen
nog 'Gaan kijken' heette) 'De sterren', 'Het gebeurde', 'De mannen','Het bittere kruid en
'De halte'. Een jaar later verscheen het volledige boek, dat het debuut van de schrijfster
was.
Het boekje heeft als ondertitel 'een kleine kroniek' en is opgedragen 'aan de
nagedachtenis van mijn ouders, Dave en Lotte, Bettie en Hans'. De tekst wordt voorafgegaan
door een motto bestaande uit de eerste regels van het gedicht 'De trein' van Bert Voeten,
de echtgenoot van de schrijfster.
Het werk bestaat uit 22 hoofdstukken van drie, vier of vijf bladzijden, tezamen 87
pagina's. Het laatste hoofdstuk neemt als epiloog een aparte plaats in. Omdat de
hoofdstukken een zelfstandiger karakter hebben dan gewoon is in romans spreken sommige
critici het liefst van 22 verhalen. De schrijfster zelf noemt ze beurtelings hoofdstukken
en verhalen.
Wat bij lezing meteen opvalt is de grote terughoudendheid in woordgebruik en in
emoties. Er is sprake van een zekere 'woordeconomie'. Ook kan men spreken van
'understatements' als ze bijvoorbeeld geen een keer het begrip 'Duitser' noemt, maar wel
uiterst suggestief de reacties van plaatsgenoten op handelwijze van de bezetter
beschrijft.
Wat over de stijl van Het bittere kruid is gezegd geldt ook voor enkele verhalen uit
haar bundel De andere kant. Men leest bijvoorbeeld in het slotgedeelte van het verhaal Het
adres ( dat gaat over een adres waar allerlei eigendommen van de Joodse vertelster worden
bewaard die niet worden teruggegeven: "Ik nam mij voor het adres te vergeten. Van
alle dingen die ik moest vergeten zou dat me het gemakkelijkst vallen."
Een dergelijk suggestief slot kent trouwens ook het bittere kruid: de vertelster wilde
dat ze evenals haar demente oom kon geloven aan terugkeer van familieleden.