Carl Friedman - Tralievader (1991)
Een indrukwekkend document dat de situatie van de tweede generatie oorlogsslachtoffers
aan het woord laat is de novelle Tralievader door Carl Friedman. (1991)
Deze schrijfster trok met dit debuut veel aandacht, ze publiceerde daarna nog de novelle
Twee koffers vol. (1993)
Hieronder volgt het eerste hoofdstukje uit het boek Tralievader:
Kamp
Hij noemt het nooit bij de naam. Het kan Trebibor, Mardawitz, Soblinka of BirkenHausen
hebben geheten. Hij spreekt van 'het kamp', alsof er maar één heeft bestaan.
'Na de oorlog' zegt hij,'zag ik een film over het Kamp. Daarin zaten gevangenen voor hun
ontbijt een eitje te bakken. 'Hij slaat zich met de vlakke hand tegen het voorhoofd. 'Een
eitje!' zegt hij schril. 'In het kamp!'
Het kamp is dus een plaats waar geen eieren worden gebakken.
Veel meer nog dan een plaats is het kamp een toestand. 'Ik heb kamp gehad,' zegt hij.
Daarmee onderscheidt hij zich van ons. Wij hebben waterpokken gehad en rode hond. En Simon
heeft, nadat hij uit een boom was gevallen, wekenlang in bed gelegen met een
hersenschudding. Maar kamp hebben wij nog niet gekregen.
Meestal laat hij voor het gemak het verleden deelwoord weg. Dan zegt hij: 'Ik heb kamp,
alsof de toestand voortduurt. En eigenlijk is dat ook zo. Hij heeft nog steeds kamp,
vooral in zijn gezicht. Niet zozeer in zijn neus of in zijn oren, hoewel die er groot
genoeg voor zijn, maar in zijn ogen.
In de dierentuin heb ik een wolf gezien met zulke ogen. Hij liep in zijn hok heen en
weer, van voor naar achter en terug, naar de tralies toe en er vandaan. Ik bleef heel lang
door de spijlen naar hem kijken.
Bezorgd ging ik op zoek naar Max en Simon. Zij hingen over het hek van de apenrots en
lachten om een baviaan die met kiezelsteentjes gooide.
'Kom eens mee naar de wolf ,'zei ik, maar zij toonden geen belangstelling. Pas toen ik
begon te huilen, wilde Max mij schoorvoetend volgen.
'Nou,'vroeg hij verveeld, toen wij samen voor het wolvehok stonden, 'wat is er met dat
beest?' 'Hij heeft kamp!' snikte ik. Max wierp een blik door de tralies.
'Onmogelijk, 'zei hij, 'wolven hebben geen kamp.' Vervolgens trok hij aan mijn hand, ik
moest mee naar de apen.
Toen mijn moeder bij onze thuiskomst mijn betraande wangen zag en naar de reden van
mijn verdriet informeerde, haalde Max zijn schouders op.
'Die is nog te klein voor de dierentuin.'
(Uit Carl Friedman - Tralievader, Amsterdam 1991)