Anne Frank (1929 - 1945)
Anne Frank is geen schrijfster in de eigenlijke zin van het woord. Ze was een gewone
-wel zeer begaafde- puber die -evenals zovele andere pubers- een dagboek begint, omdat ze
er behoefte aan heeft haar hart voor iemand uit te storten. Of, zoals ze het zelf zegt:
"Om nu het idee van een lang vebeide vriendin nog te verhogen in mijn fantasie, wil
ik niet zo maar gewoon als ieder ander de feiten in dit dagboek plaatsen, maar wil dit
dagboek de vriendin zelf laten zijn en die vriendin heet Kitty."
Anne Frank is een Amsterdams meisje, dat het Joods Lycewm bezoekt.
Ze is in 1929 in Duitsland geboren, maar al in 1933 (Hitler komt dan aan de macht) trekt
de familie Frank naar Nederland. In juli 1942 duikt men onder in het achterhuis van het
pand Prinsengracht 263, vlak bij de Westerkerk. Als de familie Frank hier ruim twee jaar
heeft gezeten doet de Grüne Polizei een inval. De families Frank en Van Daan en de heer
Dussel worden gearresteerd, evenals de helpers Kraler en Koophuis (4 augustus 1944). Ze
zijn verraden. Ze worden naar Nederlandse en Duitse concentratiekampen gevoerd. Anne
sterft in maart 1945 in het beruchte kamp Bergen-Belsen. Slechts vader Frank overleeft de
Duitse gruweldaden; ook Kraler en Koophuis brengen het er levend af.
Na de oorlog vindt men in het Achterhuis het dagboek van Anne Frank, tussen een stapel oud
papier. Het wordt gepubliceerd (slechts enkele minder belangrijke gedeelten worden
weggelaten) en in vele talen vertaald.
(Eind jaren tachtig verschijnt er een wetenschappelijke uitgave van het dagboek om precies
aan te geven welke versies er zijn geweest en welke weglatingen Otto Frank heeft
gehanteerd)
Het boek heeft een enorm succes, evenals het toneelstuk en de film die er naar gemaakt
zijn. Er zijn overigens verschillende films, toneel- en televisiebewerkingen van Het
Achterhuis gemaakt.
De volgende opmerkingen ontlenen we aan het Slotwoord van het boek:
"Het huis Prinsengracht 263, waarin Anne haar dagboek heeft geschreven, is nu in het
bezit van de Anne Frank Stichting, Amsterdam, die het volledig heeft laten restaureren.
Het "Achterhuis" is zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijke toestand gelaten.
Het voorhuis is gemoderniseerd om als zetel van een Internationaal Jeugd Centrum te
dienen.
Ook het huis Prinsengracht 265 is voor dit doel aangekocht en gerestaureerd. De bedoeling
is van het huis niet slechts een herdenkingsplaats te maken, maar er activiteit van te
laten uitgaan en de jeugd aan te sporen in de geest van Anne, in de wereld en voor de
mensen te werken" ."
In 1960 verschijnen de Verhalen rondom het Achterhuis, een bundel waarin een aantal
herinneringen van Anne is samengebracht. Deze herinneringen heeft ze, evenals haar
dagboek, in een schrift genoteerd.
Het Achterhuis
Dagboekbrieven
12 juni 1942 - 1 augustus 1944
Aan het eigenlijke dagboek gaat een "Inleiding" vooraf van mevrouw Dr. Annie
Romein-Verschoor, die erop wijst, dat Anne Frank de gebeurtenissen heeft beschreven
"op een directe, on-literaire en daardoor vaak voortreffelijke wijze". De
notities over 14, 15 en 20 juiii zijn nog "gewone" dagboekaantekeningen. Op 20
juni schrijft ze echter ook een brief aan Kitty en de rest van het boek bestaat geheel uit
brieven, die gericht zijn aan deze denkbeeldige vriendin. De eerste maand beschrijft ze
haar ervaringen op school en vertelt ze over haar contacten met vrienden en vriendinnen.
Haar oudere zuster Margot bezoekt ook het Joods Lyceum. Dan komt het onderduiken. Er wordt
zoveel mogelijk meegesjouwd en ieder staat stijf van de kleren als ze voor dag en dauw hun
huis verlaten. Het poesje zal een goed tehuis bij de buren krijgen. In de brief van 9 juli
wordt een uitvoerige beschrijving van het Achterhuis gegeven. Dit maakt deel uit van het
kantoorgebouw van vader Frank Van het personeel zijn alleen de heren Kraler en Koophuis en
Miep en Elli Vossen op de hoogte. Met vereende krachten wordt het Achterhuis bewoonbaar
gemaakt. Annes filmsterrenverzameling en haar prentbriefkaarten worden op de muur geplakt.
Een dag of wat later arriveert ook de familie Van Daan, bestaande uit vader, moeder en
Peter, een jongen "van nog geen 16 jaren, een tamelijk saaie en verlegen slungel, van
wiens gezelschap niet veel te verwachten is".
Er ontstaan langzamerhand allerlei wrijvingen, waardoor de karakters zich duidelijk
aftekenen. De heer en mevrouw Van Daan hebben af en toe ruzie. Soms hebben mevrouw Frank
en mevrouw Van Daan onenigheid over het gebruik van lakens en serviesgoed.
Anne kan het niet goed met haar moeder vinden, die de brave Margot aan haar ten voorbeeld
stelt. ("De naturen van Margot en moeder zijn zo vreemd voor mij, ik snap mijn
vriendinnen nog beter dan mijn eigen moeder"). De fantasierijke en impulsieve Anne
voelt zich meer tot haar vader aangetrokken. Mevrouw van Daan vindt ze
"onuitstaanbaar".
In november 1942 komt de achtste onderduiker: de tandarts Albert Dussel. Hij is nogal
eenzelvig en trekt zich zoveel mogelijk terug om te studeren. Anne moet haar kamertje met
hem delen, wat soms moeilijkheden geeft.
Langzamerhand worden alle Joden door de bezetters weggevoerd; ze worden naar de
vernietigingskampen getransporteerd. "Ik zie vaak 's avonds in het donker rijen
goede, onschuldige mensen lopen met huilende kinderen, steeds maar lopen, gecommandeerd
door zo'n paar kerels, geslagen en gepijnigd, tot ze haast neervallen."
Het leven in het Achterhuis gaat zijn gewone gang. Men viert Chanuka (een Joods feest) en
Sint-Nicolaas en geeft elkaar kleine geschenken.
De kinderen lezen en leren; ze bekwamen zich zelfs in de stenografie.
Anne heeft veel belangstelling voor de Griekse en Romeinse mythologie.
Soms helpen zij en Margot Elli met het kantoorwerk. De gespannen verhouding tussen Anne en
haar moeder bereikt een hoogtepunt, als Anne weigert samen met haar moeder het avondgebed
te bidden. Moeder gaat de deur uit en tranen stromen over haar gezicht.
Anne wil geen excuus aanbieden.
Zeer belangrijk is de radio; Radio Oranje houdt de onderduikers voortdurend op de hoogte
van de vorderingen van de geallieerde troepen.
Reikhalzend ziet men uit naar de invasie, maar die komt pas op 6 juni 1944 (D-day).
Er wordt een paar keer ingebroken in het magazijn en dit bezorgt de onderduikers veel
angst.
De voedselvoorziening wordt verzorgd door de mensen van het kantoor.
Ze kopen klandestien bonkaarten en zorgen voor voldoende aardappelen, melk, groente, enz.
Soms -als ze ziek zijn- stagneert de voedseltoevoer. Dan is het mondjesmaat voor de
onderduikers.
Anne voelt zich eenzaam en gaat eens met Peter praten. Die blijkt eigenlijk veel aardiger
te zijn, dan ze aanvankelijk had gedacht. Ze sluit vriendschap met de wat eenzelvige
jongen, die weinig contact heeft met zijn ouders. Samen bespreken ze hun moeilijkheden.
Langzamerhand wordt de vriendschap liefde. "Kitty, ik ben net als een verliefde, die
niets anders te vertellen weet dan van haar schat, Peter is ook inderdaad een schat.
Wanneer zou ik hem dat eens kunnen vertellen?" Uiteindelijk bekennen ze elkaar hun
liefde. Ze voelen zich verlost uit hun eenzaamheid en zijn gelukkig.
Er valt een schaduw op Annes geluk: Margot houdt ook van Peter.
Bovendien blijkt Annes vader het niet goed te vinden, dat Anne zo lang boven blijft.
Ze studeert intussen hard; ze wil journaliste of schrijfster worden en heeft al een paar
verhaaltjes gemaakt.
6 juni 1944 is de dag van de invasie: de Geallieerden zijn in Frankrijk geland. De
onderduikers krijgen weer moed: nu is de bevrijding op handen. Op 20 juli van datzelfde
jaar wordt er een moordaanslag op Hitler gepleegd, die helaas mislukt. Op 1 augustus
schrijft Anne haar laatste brief.