Simon Carmiggelt (1913 - 1987) publiceerde in het
ondergrondse dagblad Het Parool een verhaaltje dat 'Honger' heette. Het onder de
schuilnaam Kronkel verschenen verhaaltje kreeg bekendheid tot ver in Rusland in allerlei
vertalingen. Het is opgenomen in de bundel Honderd dwaasheden.(1946) Omdat het zo
nauwkeurig aangeeft hoe nijpend de situatie tijdens de bezetting in vooral het westen van
Nederland was, volgt het verhaal hieronder in zijn geheel.
HONGER
Toen Fien de deur achter zich dicht getrokken had en haar wat moeizame
oude-vrouwen-stap de trap op ging, zei juffrouw Wolsma tegen haar man: `Alsjeblieft -
negen uur, daar gaat ze weer'.
De man, nauwelijks zichtbaar bij het bibberend schijnsel van het drijvertje, haalde zijn
schouders op. `Ze gaat een slokkie water nemen', zei hij.
`Dat zegt ze', siste juffrouw Wolsma, conspiratief fluisterend, `maar ik verzeker je, dat
ze wat op d'r kamer heeft. Ze eet.'
`Wat zou ze nou hebben', sprak de man sussend.
`Jij hebt toch haar bonkaart? Ze eet toch gewoon met ons mee? Nee, voorraad heeft ze niet
meer daar ben ik zeker van. Kom nou - Flen Is toch geen gewone huurster. We kennen haar nu
al dertig jaar. Ze is hier de hele dag over de vloer...'
`Ja, dank je de bliksem', schamperde de vrouw, `Ze zit hier omdat ik de kliek opwarm,
omdat ik nog vuur heb. En licht...'. Bedoel je dat soms?' vroeg de man, met een knik naar
het drijvertje, maar de vrouw, wier stem schel en onvast werd van haat en drift, riep :
`Ik zeg je dat ze vreet. Iedere avond om negen uur. Een slokkie water - puh, ik làch er
om. Nee - die mooie vriendin van ons, die we nu al dertig jaar kennen, heeft lekkere
beetjes achtergehouden en die zit ze op te smikkelen, terwijl wij hier creperen.'
En toen de man onwillig zijn schouders ophaalde, kefte ze: `Geloof je 't niet? Ga dan naar
boven, dan zul je 't zien!' Hij keek naar haar magere, In woede vertrokken gezicht en een
gevoel van grote treurigheid kwam over hem. `Toe nou', begon hij, maar ze slofte naar de
deur, trok die half open en fluisterde met een stem die tegelijk smeekte en beval:
`Vooruit, ga nou Henk, Ik moet het weten.'
Hij wist zelf niet waarom hij eigenlijk opstond en langs zijn vrouw de kamer uitliep. Om
er af te zijn? Uit medelijden? Of wilde hij, In zijn hart, toch ook weten wat Fien daar
iedere avond boven uitvoerde. Op zijn tenen liep hij de donkere trap op, maar halverwege
bleef hij staan, plotseling overvallen door de gedachte dat het toch eigenlijk niet kon
Teruggaan? Maar dan kreeg je dezelfde herrie opnieuw. Hij ging, opeens doodmoe, op de trap
zitten en wreef over zijn gezicht. Wat afschuwelijk was alles toch, Eten-eten-eten - de
gehele dag werd er over gepraat Dat begon 's ochtends al. Zullen we nu een boterham nemen,
of straks? Anna en hij aten 'm meestal meteen op, maar Fien kon beter bewaren, Die begon
er om elf uur aan, in haar eentje, Dat irriteerde. Dan werden er van die geknepen grapjes
gemaakt, `Zo zeg, ja, jij hèbt nog, hè, Wij zullen wel kijken.' Ze kwamen meestal van
Anna en hij wist nooit precies, of hij haar nu moest slaan of troosten als ze zo deed.
Ergens ver bonsde een torenklok. Raar, dat hij zo in het donker op de trap zat, H. J.
Wolsma, gepensioneerd ambtenaar ten stadhuize, besluipt zijn oude vriendin Fien Helsman,
om te zien of ze soms eet.... Je moet er eigenlijk om schateren, maar met een lege maag
zal het lachen niet lukken. Suffig bleef hij zitten, gevangen in een grijze moedeloosheid.
Wat zei dat mens ook weer, naast wie hij laatst In de rij stond voor spijsolie?
`Eigenlijk, meneer, kun je beter, goed toegerust, doodgaan.' Goed toegerust, - of je uit
kamperen ging! Toch was de gedachte aan doodgaan, in de laatste tijd, heel anders dan
vroeger, 't Leek op lekker slapen met veel dekens en niet meer hoeven opstaan voor al dat
gedonder met de kachel, die het moeizaam bijeengeschraapte hout in een ommezien verzwolg,
het brood dat te weinig was, de prak waarna je een uur later al weer honger had - kortom
dat hele zielige gemartel om maar vooral ooggetuige te blijven van een leven, dat het
vervloeken niet waard was...
Boven hem ging een deur open en kraakte de trap onder Fiens stap. Ze merkte hem pas op,
toen ze vlak bij was. `Hè - wat... ben jij dat Henk?' riep ze verschrikt. `Wat doe je
daar, in vredesnaam?'
`Eet jij boven, Fien?' vroeg hij loom.
Het bleef geruime tijd stil. Toen kwam haar stem in het donker: `Ja.'
Zwijgen.
`Dat moet je niet doen', zei hij goedig, zoals je een kind terecht wijst, `we moeten er
toch alle drie door.'
Geen antwoord. Toen, huilerig, fluisterde ze: `Ik had nog taai taai.'
`O', zei hij onverschillig. De bespottelijke bekentenis deed hem niets. Hij realiseerde
zich dat Fien nu ook op de trap zat, drie treden hoger dan hij, en vond dit zot, zonder er
om te kunnen lachen.
Beneden piepte de deur. Anna.
`Henk', fluisterde ze.
`Ja', zei hij.
`Heb je 't gezien? Wat eet ze?'
Het dunne stemmetje van Fien zei, bijna droevig: `'t Was taai taai. Ik had het niet moeten
doen, 't is lelijk.' `O', zei Anna gechoqueerd. De man merkte dat er helemaal geen triomf
in haar stem was.
`Kom', zei hij met een poging tot opgewektheid, `gaan we naar ons smeulend houtvuur, of
komt Anna ook op de trap?' Hij stond op en ging, vreemd-verlegen opeens, de trap af. Fien
liep terug naar haar kamer. Beschaamd? Maar even later kwam ze toch ook binnen, met een
pakje in haar hand. `Hier', zei ze. `Nog drie stukken. Meer heb ik echt niet.'
Ze namen ieder een brok en begonnen er langzaam van te eten.