Tachtigers, zo noemen we een groep Nederlandse dichters en prozaschrijvers die ca. 1880
een vernieuwing van de Nederlandse literatuur tot stand brachten.
De Beweging van Tachtig, zoals de stroming ook wel wordt aangeduid, kwam voort uit een
letterkundig gezelschap Flanor. De inleiding van Willem Kloos bij de gedichten (1882) van
Jacques Perk wordt beschouwd als het manifest van de Tachtigers.
Kloos haalde hier fel uit naar de moraliserende en huiselijke poëzie van de voorgaande
generatie, met name de zogenaamde predikantenpoëzie. (Beets, Ten Kate). Hij beschreef de
ware dichter als een uitverkorene en legde de nadruk op het lijden door en omwille
van de Kunst. De ware dichter wordt gedreven door Passie, in de dubbele betekenis
van hartstocht en lijden.
Kloos verfoeide de plichtmatige rijmelarij van zijn voorgangers en pleitte voor de
eenheid van inhoud en vorm, waardoor de dichter zijn zuiver persoonlijke gevoelens een
geheel eigen vorm zou kunnen geven. In een later artikel naar aanleiding van de
sensitivistische verzen van Gorter beschreef hij deze eenheid treffend als volgt:
Kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie.
Niet een boodschap van stichtende aard is het allerhoogste dat de dichter kan bereiken,
maar Schoonheid.
Kenmerkend is de volgende versregel uit een sonnet van Perk:
Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij.
In het algemeen kan men zeggen dat de Tachtigers het principe lart pour
lart proclameerden.
Ze bevorderden ook in de kritiek het aanleggen van zuiver esthetische maatstaven. Zij
gaven nieuwe impulsen aan de poëzie onder invloed van de Engelse begin 19e-eeuwse
romantiek en aan het proza onder invloed van het Franse naturalisme. Proza en poëzie
werden vanaf dat moment niet meer voorgedragen, maar gelezen door de enkeling.
Het was ook niet meer de buitenwereld die weergegeven werd, maar de zielsbewegingen van
de enkeling.
Willem Kloos (1859 - 1938)
Opmerkelijk is dat veel Tachtigers kozen voor de vastliggende vorm
van het sonnet.