Constantijn Huygens (1596 - 1687)
Hooft, Vondel en Bredero waren alle drie Amsterdammers: alle drie stelden ze die stad
centraal in hun werk.
Constantijn Huygens echter woonde zijn hele leven in Den Haag.
Hij schrijft veel over zijn omgeving, zijn werk, zijn persoonlijke belevenissen.
Huygens was een kunstenaar die dicht kwam bij het ideaal van de Renaissance: de homo
universalis - de universeel begaafde mens. Immers hij was behalve letterkundige ook
diplomaat, componist, wegenbouwer. Tevens had hij pedagogische kwaliteiten. (Zijn kinderen
gaf hij een veelzijdige opvoeding, zijn zoon Christiaan werd een beroemd natuurkundige,
uitvinder van de slingerklok en de Hollandse sterrenkijker.
Een andere zoon, Constantijn verwierf bekendheid als tekenaar.
Zijn meeste werk is autobiografisch.
In het lange gedicht Hofwijck beschrijft hij zijn buitenhuis dat die naam draagt.
In Stedestemmen wijdt hij gedichten aan de belangrijkste Nederlandse steden. Zo noemt
hij Den Haag:...een dorp der steden waar iedere straat een stad is... (Den
Haag had geen stadsrechten).
Ook schreef Huygens 3000 puntdichten (men spreekt ook van
epigrammen).
Maar Huygens langere gedichten worden soms wat onleesbaar voor ons door de vele
woordspelingen en dubbelzinnigheden.
In een lang gedicht met de titel De Zeestraat beschrijft hij zijn bemoeienissen met de
aanleg van een weg van Den Haag naar Scheveningen.
Hij schreef één blijspel: Trijntje Cornelisdochter. Het wordt een enkele keer
opgevoerd. Het is wel geschikt voor een leeslijst.
Huygens noemde zijn verzamelde gedichten: Korenbloemen.
Hiermee bracht hij tot uiting dat zijn werk het belangrijkste was - de gedichten waren
bijzaak.
Die gedichten waren aardig, maar niet nuttig. (We moeten wel bedenken dat het een
enigszins gespeelde bescheidenheid was).
Een voorbeeld uit de gedichten waarin Huygens allerlei spitsvondigheden hanteert is het
allegorische gedicht Scheepspraat.