ENKELE HOOFDFIGUREN UIT DE GOUDEN EEUW
We onderscheiden de volgende vijf grote dichters uit de zeventiende eeuw.
Joost van den Vondel
Constantijn Huygens
Pieter Corneliszoon Hooft
Gerbrand Adriaanszoon Bredero
Jacob Cats
-------------------------
Joost van den Vondel
Bij de naam Vondel denk je misschien onwillekeurig direct aan het treurspel Gijsbrecht
van Amstel. Hoewel daaraan hieronder ook ruimte wordt besteed, komen eerst een paar minder
bekende kanten van Vondel aan de orde.
Vondel sprak in de eerste plaats zijn tijdgenoten aan met zijn hekeldichten,
gelegenheidsgedichten en sommige korte opschriften. Zo staat er boven de ingang van de
stadsschouwburg in Amsterdam:
De wereld is een speeltoneel
elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.
Om de mensen tot rust te manen hing de volgende waarschuwing in de schouwburg:
Geen kind den schouwburg lastig zij
tabakspijp, bierkan, snoeperij,
noch generlei baldadigheid.
Wie anders doet wordt uitgeleid.
Boven de schoorsteen in de regentenkamer stond:
Gelukkig is het land
waar t kind zijn moer verbrandt
(Moer betekent: veenmoeras, dus turf maar ook moeder).
In zulk soort gedichten is Vondel blijven voortleven.
Zijn 36 dramas worden niet meer opgevoerd.
Een uitzondering is de tragedie Gijsbrecht van Aemstel, al is gebroken met de traditie
om dit spel elk jaar (op nieuwjaarsdag) in Amsterdam op te voeren - toch speelt men het
nog wel, meestal in gemoderniseerde vorm.
Vondel hield zich in zijn dramas strikt aan de toneelregels uit de Klassieke
Oudheid.
Deze waren onder meer: eenheid van plaats, tijd en handeling. Er mocht geen bloed
vloeien op het toneel.
Om de plaats- en tijdsruimte te overbruggen komen er in bijvoorbeeld de Gijsbrecht van Aemstel veel boden (berichtgevers) voor. Dat maakt dat
de stukken van Vondel meer leesdramas zijn dan dat ze dramatisch van karakter zijn.