In de vijftiende eeuw ontstonden de Rederijkerskamers. Dat waren een soort verenigingen
waar gedichten en vooral toneelstukken gemaakt en uitgevoerd werden. Bijna elke stad of
dorp had wel een rederijkerskamer. De oude zegswijze Rederijkers -
kannekijkers is overigens wel veelzeggend voor de activiteiten in de meeste Kamers..
Aan het hoofd stond een factor, de prins was de beschermheer van de kamer.
Vaak werden stukken geschreven voor een landjuweel, dat is een rederijkerswedstrijd.
We weten dat de spelen Elckerlijc en Marieken van Nieumeghen winnende toneelstukken
waren bij landjuwelen.
Uit de Rederijkersperiode dateren allerlei bijzondere genres. Zo had men het kniedicht ,
een gedicht dat snel geschreven moest worden waarbij men op een knie zat. Verder het acrostichon (= naamdicht) en het chronogram (gedicht met jaartal erin
opgesloten)
Rederijkerskamers hebben ruim drie eeuwen een bloeiend bestaan gekend: in elk dorpje of
stadje was wel zon Kamer te vinden. Maar , behalve een flink aantal
Rederijkersballaden zijn er toch maar twee werken uit die Rederijkerstraditie aan te
wijzen die de tand des tijds doorstonden.
Dat zijn: het mirakelspel Mariken van Nieumeghen en de moraliteit Elckerlijc.