Uit de tijd van 1100 hebben we slechts één enkele zinnetje:
| Hebban olla vogala nestas hagunnan, hinase hic anda
thu. |
Belangrijk is het volgende: veel mensen noemen iets wat is geschreven in een taal van lang
geleden oud-Nederlands.
Dat is onjuist. Alleen teksten van voor het jaar duizend noemen we Oudnederlands -en die
zijn er dus nauwelijks.
Alles wat tussen 1170 en 1450 is geschreven heet Middelnederlands.
En teksten van na 1550 zijn in het Nieuwnederlands geschreven.
Overigens wekt het verwondering dat er geen Oudnederlandse teksten bestaan: de
Middelnederlandse literatuur staat op zon hoog niveau dat daar zeker wat aan vooraf
gegaan moet zijn.
Er zijn twee oorzaken waardoor de oudste teksten onvindbaar zijn.
Er werd waarschijnlijk neergekeken op wat in de volkstaal werd geschreven - in de
kloosters schreven geleerden hun werken in het latijn.
Door die minachting werd wat er dan wel aan oude teksten in de eigen taal bestond vaak
vernietigd of het perkament werd
hergebruikt. Onze verre voorouders deden ook aan recycling: er zijn teksten gevonden op
het materiaal waarmee in later eeuwen boekkaften en boekruggen werden vervaardigd.
Het geschrevene was voor een beperkte kring: rond het jaar duizend beheersten weinig
mensen de kunst van het lezen, voornamelijk geestelijke geleerden lazen manuscripten die
in het latijn werden geschreven.
Dat leidde ertoe dat er heel veel aan volksteksten uit het hoofd werd voorgedragen.
Met punt 4 hangt samen dat alles, ook langere verhalen op rijm zijn gesteld in de oudst
bekende teksten.
Een voorbeeld volgt hieronder (het is een fragment uit het zogenaamde abel spel
Lanseloet van Denemarken). Het betref een gedeelte waarin Sanderijn, een door de
koningszoon Lanseloet van Denemarken verleid meisje van lagere adel, aan een ridder die ze
ontmoet en haar ten huwelijk vraagt uitlegt wat er is gebeurd.
In de vertaling door Gerrit Komrij luiden die regels als volgt:
Rust met mij in het groen hier, want
er is iets wat ik zeggen moet.
Begrijp mijn woorden, ridder, goed.
Aanschouw die boom hier, mooi en groen -
Hoe ons zijn rijke bloei bekoort!
Zijn edele geur, die dwarrelt door
De hele boomgaard, overal.
Hij staat in een zo lieflijk dal
Dat hij wel rijkelijk bloeien moet.
Kwam nu een hooggeboren valk
Op deze boom hier neergestreken
Om er een bloesem af te breken,
Eentje maar en daarna geen en
Altijd bleef het bij die ene,
Zou je die boom dan daarom haten
En aan een ander overlaten? |
Wie dit fragment leest beseft dat een dergelijke literaire hoogte niet
zo maar uit de lucht komt vallen: er moet wel een lange literaire voorgeschiedenis zijn
geweest die we helaas niet kennen.
ONZE LITERATUUR IN DE MIDDELEEUWEN
Taal
Onze letterkundige geschiedenis begint omstreeks 1170, omdat de oudst
overgeleverde Nederlandse teksten uit die tijd dateren.
Deze geschreven Nederlandse letterkunde is echter niet zomaar plotseling ontstaan: ze
is gegroeid uit mondeling overgeleverde verhalen en gedichten.
De internationale taal in de Middeleeuwen was het Latijn; door kerk en regering
gebruikt. Het volk sprak natuurlijk de volkstaal (toen door de schrijvers Diets genoemd)
maar een algemene Nederlandse taal bestond nog niet.
ledere streek had zijn eigen taal (dialect). De spelling lag niet vast, al waren er wel
schrijfscholen die bepaalde gewoonten volgden. In het algemeen noemen we de taal die het
volk in die tijd gebruikte Middelnederlands.
Het is zeker dat de overheersing van het Latijn, de kerktaal, mede oorzaak is van het
feit dat er geen Oud-Nederlands werk meer is. Alles wat maar van enig niveau was, werd in
die tijd in het Latijn geschreven.
Zoals de raadpleger van deze site misschien weet zijn er in de ons omringende landen
wel oude teksten van voor het jaar 1000 gevonden. Zo is er het Duitse Nibelungenlied,
het Angelsaksische heldenepos Beowulf terwijl er tevens een rijke Oud-IJslandse
literatuur bestaat.
De Middelnederlandse handschriften die we vanaf 1170 bezitten staan meteen al op een
erg hoog niveau: er moeten dus ook hier eerdere ontwikkelingen zijn geweest - waarvan we
helaas niets meer bezitten!
HET LIED IN DE MIDDELEEUWEN
De Nederlandse letterkunde begint, zoals hierboven al vermeld is, rond het jaar 1170.
Natuurlijk bestonden er voor die tijd ook verhalen en liederen in de volkstaal. Maar die
werden voornamelijk mondeling overgeleverd. En wat werd opgeschreven, ging later vaak weer
verloren.
De oudste bewaard gebleven volledige tekst is van de hand van Hendrik van
Veldeke.
Hij is de eerste schrijver in onze streken van wie de naam en enkele werken bekend zijn.
Vanaf 1175 kunnen we de ontwikkeling van de Nederlandse literatuur volgen.
De meeste middeleeuwse literatuur is in handschriften (manuscripten) bewaard gebleven.
De teksten zijn niet altijd volledig, omdat soms maar enkele fragmenten overgebleven zijn.
De taal van de Nederlandse literatuur in de Middeleeuwen noemt men het Middelnederlands.
Maar die aanduiding gebruikte men in vroeger tijden niet: toen sprak men van DIETS.
Dat is een verzamelnaam van allerlei dialecten die in onze streken werden gesproken.
Dat Diets wijkt nogal sterk af van het Standaardnederlands dat we nu gebruiken. Dat kun
je zien als je de eerste regels van het Egidiuslied leest. Dit lied is geschreven
door een zekere Jean Moritoen en gaat over een dichter die treurt over de
dood van zijn vriend en collega.
Egidius, waar bestu bleven?
Mi lanct naar di, gheselle mijn. |
Minstrelen, rondtrekkende zangers dragen aan vorstelijke hoven, maar ook op
marktpleinen de balladen voor. Om het van buiten leren gemakkelijker te maken, heeft men
de tekst op rijm gezet. Omdat de teksten gezongen moeten worden, maken de minstrelen zelf
een melodie of gebruiken ze een al bekende melodie.
Een middeleeuwse ballade is een kort episch gedicht, dat wil zeggen dat er een kort
verhaal wordt verteld. We noemen de ballade overigens wel lyriek,
omdat er op dichterlijke wijze vorm gegeven wordt aan gevoelens (epiek gebruiken we als
naam voor lange verhalen, al of niet op rijm).