Misschien is Nescio wel de meest bescheiden schrijver geweest uit onze literatuur.
Nescio betekent: Ik weet niet. Lange tijd had men geen idee wie de schrijver van het
boekje De uitvreter (uit 1911) dat onder dit pseudoniem verscheen was. Men wees zelfs de
verkeerde persoon aan, zodat schrijver zich maar bekend maakte. Het was de zakenman
J.H.Grönloh (1882 - 1961).
De eerste zin van de uitvreter is bijna spreekwoordelijk geworden:
Behalve de man de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een
wonderlijke kerel gekend dan den uitvreter.
De uitvreter, Japi, is een soort teleurgestelde idealist die van zo weinig mogelijk wil
leven. Hij gebruikt daarvoor het woord versterven. (In een wel wat andere
betekenis dan zoals de medische wereld deze term nu hanteert).
Opvallend zijn de natuurbeschrijvingen, Nescio had al vroeg oog voor aantasting van het
milieu, vooral van het landschapsschoon.
Het vervolg op De uitvreter heet Titaantjes en hiervan luidt de openingszin:
Jongens waren we - maar aardige jongens.
Wat ons nu ook sterk opvalt is de experimentele spelling die Nescio gebruikt: hij
schrijft wassi, hatti en wertie voor was hij, had hij
en werd hij.
Het accentueert het los willen komen uit de conventie, de vrijheid willen hebben hoe
men schrijft (maar ook: woont, zich kleedt, werkt).
De belangrijkste werken van Nescio zijn tegenwoordig in een deeltje uitgegeven , ze
zijn namelijk gemiddeld niet omvangrijker dan 50 bladzijden.