Louis Couperus bracht zes jaar van zijn jeugd door in Nederlands-Indië, waar zijn vader
bestuursambtenaar was; terug in Nederland mislukte hij, tot ongenoegen van zijn vader, op
de Handelsschool. Nadat hij in 1883 het diploma M.O.-Nederlands gehaald had, wijdde hij
zich geheel aan zijn schrijverschap. Na zijn huwelijk (1891) met zijn nicht Elisabeth Baud
vertoefde hij vooral in het buitenland, met name in Zuid-Frankrijk en Italië; ook maakte
hij reizen naar het Verre Oosten. Hij was in 1903 een der oprichters van Groot Nederland.
Hoewel hij graag poseerde als luie dandy, was hij een bijzonder produktief auteur. Zijn
proza kan in vier groepen worden ingedeeld:
eigentijdse psychologische romans,
symbolische sprookjes
mythologische romans,
historische romans.
Ze spelen zich af in een decadente cultuur. De talloze korte historische verhalen,
reisimpressies en schetsen verschenen vaak als feuilleton in Groot Nederland, Het
Vaderland (vanaf 1909) en De Haagsche Post (vanaf 1916).
Zijn enigszins geaffecteerde, zeer herkenbare stijl sloot vanaf het begin nauw aan bij
het impressionisme van de Tachtigers, met wie hij overigens nimmer intensief contact heeft
gehad.
De verzen van zijn poëziedebuut Een lent van vaerzen (1884) en het daarop volgende
Orchideeën (1886) werden door Willem Kloos negatief beoordeeld in De Nieuwe Gids - maar
Kloos merkte daarbij tegelijkertijd iets heel waardevols op: hij adviseerde Couperus om
prozawerk te gaan schrijven. En Couperus heeft deze raad opgevolgd met als gevolg dat hij
de belangrijkste Europese romanschrijver uit de eerste helft van de twintigste eeuw werd.
Zijn prozadebuut Eline Vere (1889), de eerste psychologische roman van groot formaat in
Nederland, werd terstond door iedereen, ook de Tachtigers erkend. Het werd zijn
populairste roman.
Opzet en thematiek ervan sluiten nog aan bij het Franse naturalisme, maar al snel neemt
Couperus hiervan afstand en stelt er een soort fatalisme voor in de plaats, dat in de
roman Noodlot (1890) voor het eerst uitdrukking vindt. In de jaren negentig schrijft hij,
naast ietwat modieuze romans als Majesteit (1893) en de autobiografische tegenhanger
Metamorfoze (1897), de sprookjes Psyche (1898) en Fidessa (1899). Daarna keert hij terug
naar de eigen tijd met de Haagse romans, De boeken der kleine zielen (4 delen,
1901-1903) en Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (l906) het bekendst zijn. In
deze werken schildert hij de beklemmende conventies van de milieus uit zijn jeugd, waaruit
enkel diegenen kunnen ontsnappen die de vrije atmosfeer van het zuidelijke mediterrane
leven opzoeken.
In De stille kracht (1900) beschrijft hij de tegenstelling tussen het occulte Oosten en
het materialistisch-nuchtere Westen. In dezelfde jaren begint de lange reeks historische
romans uit de oudheid.
Hiervan is De berg van licht (3 delen, 1905-1906), over opkomst en ondergang van een
jonge, zeer mooie Syrische zonnepriester die door de soldaten van het Romeinse leger tot
keizer wordt uitgeroepen en daardoor zijn heilige plicht verzaakt, de belangrijkste. Ook
hier speelt de tegenstelling tussen Oost en West een rol. Bijzonder is dit verhaal,
behalve door de beeldende manier waarop het decadente Rome tot leven wordt gewekt, ook
doordat Couperus homoseksuele liefde met een sadomasochistische inslag op voor die tijd
gewaagde wijze beschrijft. Zijn homo-erotische voorkeur, die in de eigentijdse verhalen
verhuld bleef, leefde hij ook in andere in de oudheid spelende verhalen uit. In zijn
laatste grote historische roman Iskander (1920), over Alexander de Grote, wordt een
tegengestelde neergang als in De berg van licht beschreven: de westerse mannelijke kracht
die het aflegt tegen de oosterse vrouwelijke verfijning. De manier waarop hij met de
historische bronnen omsprong, was zeer vrij. Met lichtere pen schreef hij zijn talrijke
feuilletons, waaronder bijzondere korte en langere verhalen die, al dan niet in de eigen
tijd, aan de Rivièra of in Italië spelen. Ze werden talloze malen gebundeld, o.a. in
Antieke verhalen (1911) en Van en over mijzelf en anderen (4 delen 1910-1917).
Zijn symbolistische voorkeur voor de decadente aristocratie van eigen tijd en verleden,
zijn melancholiek: fatalisme en esthetisch hedonisme wekten tijdens zijn leven veel
verzet, waardoor de grote kunstwaarde van zijn werk niet ten volle erkend werd. De
waardering van Du Perron en Ter Braak zorgde voor een eerherstel. Na de Tweede
Wereldoorlog nam de belangstelling voor zijn werk zeer toe; De boeken der kleine zielen en
De stille kracht werden voor televisie bewerkt, de eerste in 1993 ook voor theater.
Eline Vere werd verfilmd. De waarde en aantrekkingskracht van zijn boeken ligt behalve
in de knappe compositie nog steeds in de volstrekt eigen combinatie van psychologisch
realisme en noodlotssfeer. Sinds 1987 verschijnen de vijftig delen Volledige Werken in een
wetenschappelijk verantwoorde editie.
Nog enkele titels: Extase (1892), Eene illuzie (1892), Langs lijnen van geleidelijkheid
(1900), Aan de weg der vreugde (1908).
(Mythologisch): Babel (1901), God en goden (1903).
(Historisch): Dionysos (1904), Antiek toerisme (1911),
Herakles (1913), De komedianten (1917), De verliefde ezel (1918), Xerxes of de hoogmoed
(1919).
(Schetsen en verhalen): Korte arabesken (1911 ), Uit blanke steden onder blauwe lucht
(2 delen 1912-1913);
(Reisschetsen): Van en over alles en iedereen (1915), Oostwaarts (1923), Nippon (1925).
Voor een leeslijst zijn de romans De stille kracht en Van oude mensen, de dingen die
voorbij gaan heel geschikt. Maar de keus uit het werk van Couperus is heel groot, ook de
verhalen van hem zijn geschikt voor een leeslijst.