Louis Couperus

smcplaza.gif (3292 bytes)
www.smc.nl


HomePage ] Omhoog ] Zoeken ] Literatuur 1100 - 1920 ] Interbellum (1920 - 1940) ] Literatuur over WO II ] Literatuur na 1945 ]

 

HomePage
Omhoog
De kleine Johannes
Willem Kloos
Van Eeden
Heijermans
Louis Couperus

Louis Couperus


Louis Couperus bracht zes jaar van zijn jeugd door in Nederlands-Indië, waar zijn vader bestuursambtenaar was; terug in Nederland mislukte hij, tot ongenoegen van zijn vader, op de Handelsschool. Nadat hij in 1883 het diploma M.O.-Nederlands gehaald had, wijdde hij zich geheel aan zijn schrijverschap. Na zijn huwelijk (1891) met zijn nicht Elisabeth Baud vertoefde hij vooral in het buitenland, met name in Zuid-Frankrijk en Italië; ook maakte hij reizen naar het Verre Oosten. Hij was in 1903 een der oprichters van Groot Nederland. Hoewel hij graag poseerde als luie dandy, was hij een bijzonder produktief auteur. Zijn proza kan in vier groepen worden ingedeeld:

eigentijdse psychologische romans,

symbolische sprookjes

mythologische romans,

historische romans.

Ze spelen zich af in een decadente cultuur. De talloze korte historische verhalen, reisimpressies en schetsen verschenen vaak als feuilleton in Groot Nederland, Het Vaderland (vanaf 1909) en De Haagsche Post (vanaf 1916).

Zijn enigszins geaffecteerde, zeer herkenbare stijl sloot vanaf het begin nauw aan bij het impressionisme van de Tachtigers, met wie hij overigens nimmer intensief contact heeft gehad.

De verzen van zijn poëziedebuut Een lent van vaerzen (1884) en het daarop volgende Orchideeën (1886) werden door Willem Kloos negatief beoordeeld in De Nieuwe Gids - maar Kloos merkte daarbij tegelijkertijd iets heel waardevols op: hij adviseerde Couperus om prozawerk te gaan schrijven. En Couperus heeft deze raad opgevolgd met als gevolg dat hij de belangrijkste Europese romanschrijver uit de eerste helft van de twintigste eeuw werd.

Zijn prozadebuut Eline Vere (1889), de eerste psychologische roman van groot formaat in Nederland, werd terstond door iedereen, ook de Tachtigers erkend. Het werd zijn populairste roman.

 

040.tif (22812 bytes)


Opzet en thematiek ervan sluiten nog aan bij het Franse naturalisme, maar al snel neemt Couperus hiervan afstand en stelt er een soort fatalisme voor in de plaats, dat in de roman Noodlot (1890) voor het eerst uitdrukking vindt. In de jaren negentig schrijft hij, naast ietwat modieuze romans als Majesteit (1893) en de autobiografische tegenhanger Metamorfoze (1897), de sprookjes Psyche (1898) en Fidessa (1899). Daarna keert hij terug naar de eigen tijd met de ‘Haagse romans’, De boeken der kleine zielen (4 delen, 1901-1903) en Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (l906) het bekendst zijn. In deze werken schildert hij de beklemmende conventies van de milieus uit zijn jeugd, waaruit enkel diegenen kunnen ontsnappen die de vrije atmosfeer van het zuidelijke mediterrane leven opzoeken.

In De stille kracht (1900) beschrijft hij de tegenstelling tussen het occulte Oosten en het materialistisch-nuchtere Westen. In dezelfde jaren begint de lange reeks historische romans uit de oudheid.

Hiervan is De berg van licht (3 delen, 1905-1906), over opkomst en ondergang van een jonge, zeer mooie Syrische zonnepriester die door de soldaten van het Romeinse leger tot keizer wordt uitgeroepen en daardoor zijn heilige plicht verzaakt, de belangrijkste. Ook hier speelt de tegenstelling tussen Oost en West een rol. Bijzonder is dit verhaal, behalve door de beeldende manier waarop het decadente Rome tot leven wordt gewekt, ook doordat Couperus homoseksuele liefde met een sadomasochistische inslag op voor die tijd gewaagde wijze beschrijft. Zijn homo-erotische voorkeur, die in de eigentijdse verhalen verhuld bleef, leefde hij ook in andere in de oudheid spelende verhalen uit. In zijn laatste grote historische roman Iskander (1920), over Alexander de Grote, wordt een tegengestelde neergang als in De berg van licht beschreven: de westerse mannelijke kracht die het aflegt tegen de oosterse vrouwelijke verfijning. De manier waarop hij met de historische bronnen omsprong, was zeer vrij. Met lichtere pen schreef hij zijn talrijke feuilletons, waaronder bijzondere korte en langere verhalen die, al dan niet in de eigen tijd, aan de Rivièra of in Italië spelen. Ze werden talloze malen gebundeld, o.a. in Antieke verhalen (1911) en Van en over mijzelf en anderen (4 delen 1910-1917).

Zijn symbolistische voorkeur voor de decadente aristocratie van eigen tijd en verleden, zijn melancholiek: fatalisme en esthetisch hedonisme wekten tijdens zijn leven veel verzet, waardoor de grote kunstwaarde van zijn werk niet ten volle erkend werd. De waardering van Du Perron en Ter Braak zorgde voor een eerherstel. Na de Tweede Wereldoorlog nam de belangstelling voor zijn werk zeer toe; De boeken der kleine zielen en De stille kracht werden voor televisie bewerkt, de eerste in 1993 ook voor theater.

Eline Vere werd verfilmd. De waarde en aantrekkingskracht van zijn boeken ligt behalve in de knappe compositie nog steeds in de volstrekt eigen combinatie van psychologisch realisme en noodlotssfeer. Sinds 1987 verschijnen de vijftig delen Volledige Werken in een wetenschappelijk verantwoorde editie.

Nog enkele titels: Extase (1892), Eene illuzie (1892), Langs lijnen van geleidelijkheid (1900), Aan de weg der vreugde (1908).

(Mythologisch): Babel (1901), God en goden (1903).

(Historisch): Dionysos (1904), Antiek toerisme (1911),

Herakles (1913), De komedianten (1917), De verliefde ezel (1918), Xerxes of de hoogmoed (1919).

(Schetsen en verhalen): Korte arabesken (1911 ), Uit blanke steden onder blauwe lucht (2 delen 1912-1913);

(Reisschetsen): Van en over alles en iedereen (1915), Oostwaarts (1923), Nippon (1925).

Voor een leeslijst zijn de romans De stille kracht en Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan heel geschikt. Maar de keus uit het werk van Couperus is heel groot, ook de verhalen van hem zijn geschikt voor een leeslijst.

 

 Vorige HomePage Omhoog