Een voorbeeld van zon puntdicht is een gedichtje op zijn hond die de naam Geckje
droeg:
Dit is mijn hondjes graf
Ik zeg er niet meer af
Als dat ik wenste
(En de wereld was niet bedurven)
Dat mijn klein Geckje leefde
En al de groten sturven.
(af = van, bedurven = bedorven, sturven = stierven)
Nog enkele voorbeelden van zulke puntdichten:
Een valse munter
Dirk heeft verstand van als (= alles)
t meeste nog van geld te maken,
dan echt, en dan eens vals,
naar tijd en loop van zaken.
Nu kost het hem zijn hals,
daar moest hij toe geraken.
En t is hem wel gegund:
hij had er op gemunt.
In zon gedichtje wordt duidelijk hoe Huygens gebruik maakt van allerlei
woordspelingen, meestal berusten zijn puntdichten op de meervoudige betekenissen van
allerlei woorden.
Het lachen heeft geen weerga, Griet,
Er rijmt op t woord van lachen niet. (= niets).
Tenslotte een puntdicht dat Huygens bewerkte uit het Spaans:
Al is het vliegje nog zo klein
het werpt zijn schaduw op het plein.