De Gijsbrecht kreeg een zeer grote bekendheid doordat het eeuwenlang een traditie was het
stuk op Nieuwjaarsdag op te voeren. In 1968 werd met deze traditie gebroken.
Vondel schreef het treurspel als een gelegenheidsstuk: de opening van de Amsterdamse
Stadsschouwburg was de aanleiding.
Het stuk moest dus een soort geschiedenis van de stad Amsterdam weergeven.
Als historisch gegeven gebruikte Vondel de twist tussen Gijsbrecht van Aemstel en
Gerard van Velzen, na de dood van Floris de Vijfde.
Maar hij wijkt wel van de historie af: zo was Amsterdam in de tijd van de dood van
Floris de Vijfde in 1296 een heel klein plaatsje en nog niet de grote havenstad zoals
Vondel het voorstelt.
De dwang van de eenheden (van tijd, plaats en handeling) maken de Gijsbrecht tot een
drama met heel weinig actie.
Als men het in deze tijd opvoert kiest men meestal voor een aanpassing in taal en zelfs
in inhoud aan de hedendaagse situatie.
Vondel verwijst in dit treurspel uitdrukkelijk naar de Klassieke Oudheid in zijn
motieven. Zo is er een schip met rijshout (= brandhout) waarin soldaten zitten verborgen
dat evenals het paard van Troje de stad wordt binnengehaald.
Verder is de god uit de machine, (deus ex machina) in het slot belangrijk.
Er zijn vijf bedrijven, de eerste vier worden afgesloten met een rei.
Een rei is een gedicht dat buiten de toneelhandeling staat maar waarin de gedachten van
de ideale toeschouwer vertolkt worden.
Zo is de rei
Waar werd oprechter trouw
Dan tussen man en vrouw
heel bekend geworden, evenals de rei
O, Kerstnacht, schoner dan de dagen.