Een goed voorbeeld van zon schelmenroman uit onze literatuur is De Vermakelijke
Avonturier door Nicolaas Heinsius uit 1695.
Het is een heel geschikt boek voor een leeslijst temeer omdat er gemoderniseerde
uitgaven in de handel zijn.
Een belangrijke nieuwe dichtvorm is het sonnet.
Een sonnet is een gedicht dat uit veertien regels bestaat.
Er zijn twee strofen van vier regels: kwatrijnen genoemd en twee van drie regels: de
terzetten.
Tussen de eerste acht regels (het octaaf) en de laatste zes (het sextet) is voor wat de
inhoud betreft een wending (ook wel val, volta of chute genoemd).
Als voorbeeld volgen hieronder twee sonnetten: een van de zeventiende-eeuwse dichter
P.C.Hooft en een van de hedendaagse dichter Pierre Rawie:
Sonnet
Wanneer de Vorst des lichts slaat aen
de gulden toomen
Sijn hand en beurt omhoog aansienlijk uiter zee
Sijn uitgespreide pruik van levend goud, waarmee
Hij nare angstvalligheid, en vaak, en krepele dromen
Van s mensen lichaam strijkt en
berg en bos en bomen,
en steden vollickrijk en velden met het vee
In duisternis verdwaald ons levert op haar stee
Verheugt hij, met den dag het aardrijk en de stromen
Maar dandere sterren als naijvrig van sijn licht,
begraaft hij met zijn glans in duisternissen dicht,
En van dontelbare schaar mag
t niemand bij hem houwen
Al eveneens wanneer uw geest de mijne roert,
word ik gewaar dat gij in t heilig aanschijn voert
Voor mij den dag, mijn Son, de nacht voor dandre vrouwen.
Dit sonnet van Hooft dateert uit de tijd rond 1615.
En het sonnet hieronder is uit 1989, het is van Pierre Rawie en komt uit zijn bundel
Woelig stof.
Wanneer ik terugblik over mijn verleden,
blijkt dat mij niets gebleven is dan spijt;
ik zie nu dat ik de verloren tijd
met wat ik deed maar jammerlijk besteedde.
Steeds bezig met verkeerde bezigheden,
tot wat mij schaadde meer en meer bereid,
geraakte ik, door valse hoop misleid
en steeds ontgoocheld, in het ongerede.
soms leek het even of ze stevig stonden,
de luchtkastelen door mijn geest gebouwd,
maar geen hield langer stand dan een seconde.
Al wat de droom berekend had, is fout,
want alles gaat in dood, in wind te gronde;
wee die iets hoopt, of ergens op
vertrouwt!
De regels waaraan een sonnettenschrijver zich houdt zijn hier wel zichtbaar: er zijn
slechts vier rijmklanken aan het slot van de regels, er is een indeling in kwatrijnen en
terzetten. Er is een wending.
Het sonnet is gebouwd op rijmklanken, niet alleen eindrijm, ook assonantie en beginrijm
spelen een rol. Een andere naam voor sonnet was dan ook: klinkdicht.