Een Britse ridderroman bevat meestal een zoektocht die uit drie delen bestaat, de
zogenaamde queeste. Walewein is daar een goed voorbeeld van.
De middeleeuwse versie van deze roman is gemaakt door twee auteurs: Penninc en
Vostaert. (Nogal uitzonderlijk dat we over deze namen beschikken - meestal is literatuur
uit de middeleeuwen anoniem).
De driedelige queeste is als volgt opgebouwd.
Een schaakbord komt de kasteelzaal van koning Arthur en zijn tafelronde binnenzweven en
verdwijnt weer.
Arthur wil dit prachtige spel bezitten en Walewein gaat erop uit om het te halen.
Hij kan het krijgen van de bezitter in ruil voor een wonderzwaard met de twee ringen.
dat zwaard kan hij verkrijgen op voorwaarde dat hij de jonkvrouw Ysabele bevrijdt.
Na veel spannende avonturen, onder meer gevechten met draken, keert Walewein met het
schaakbord (en de door hem veroverde Ysabele) terug naar het paleis.
Het is wegens de grote lengte (van meer dan 30.000 versregels) geen geschikt werk voor
een leeslijst.
Neem dan liever Lancelot en het Hert met de witte voet, een veel simpeler, maar ook
kortere roman.
Of de roman Ferguut.
Louis Couperus (1863-1923) schreef een aardige bewerking van de Walewein: Het zwevende
schaakbord. Daarin parodieert hij de middeleeuwse roman.