Jan Wolkers (geb. te Oegstgeest 1925) studeerde beeldhouwkunst in Den Haag,
Amsterdam en Salzburg. Vanaf 1957 begint hij verhalen te schrijven. Verhalen als Kunstfruit
(gebundeld in Gesponnen suiker, 1963) deden door hun beschrijvingen van de
seksualiteit veel stof opwaaien. Een verhaal als het titelverhaal uit die bundel,
Gesponnen suiker bevat eigenlijk als allerlei elementen, motieven en thema's die je in de
latere romans van Wolkers ook aantreft.
Er is in de jaren zestig een sterk groeiende populariteit.
Vaste thema's bij Wolkers vormen: de haat t.o.v. de vaderfiguur, schuldgevoelens (over
b.v. de dood van zijn broer), dierenliefde en dierenhaat, sterke religieuze
(calvinistische opvoeding) en het litteken op zijn voorhoofd, samenhangend met het motief
van de astmalijder.
De dood is een wel het hoofdthema in zijn oeuvre en staat in verband met de andere
genoemde thema's. Het motief van de dood is steeds nauw verbonden met dat van
schuldgevoelens.
Het leven is in zijn werk doordrenkt van de dood. Niemand kan ontkomen aan de
natuurlijke kringloop. In Terug naar Oegstgeest wordt gerept van het
Kaïnsteken op je kop. (= het genoemde litteken, ontstaan toen hij als baby
kokend water in zijn gezicht kreeg). Vrij veel boeken van hem zijn verfilmd.
Een goed nummer voor een leeslijst is een verhalenbundel als Gesponnen suiker of
Serpentina's petticoat. Verder zijn de romans Kort Amerikaans, Terug naar Oegstgeest en
Een roos van vlees uitermate geschikt om eens kennis te nemen van het werk van Wolkers
omdat in deze romans de bovenstaande thema's en motieven zo duidelijk zijn verwerkt.