Micha de Vreede (Djakarta 1936), kwam in 1946 naar Nederland, na een
kampperiode op Sumatra (beschreven in Een hachelijk bestaan, 1974). De kamptijd heeft voor
een deel haar oeuvre bepaald maar dat geldt alleen voor werk uit de laatste jaren.
Voordien schreef ze anders gericht proza en ook gedichten. Voor haar eerste bundel
gedichten, Met huid en hand (1959), ontving zij de poëzieprijs van de stad Amsterdam.
Haar proza bestaat uit romans, verhalenbundels, autobiografisch werk en kinderboeken.
Enkele titels: Eindeloos (1961; roman); Oorlog en liefde (1963; verhalenbundel); Binnen
en buiten (1968; gedichtenbundel); Een stukje van de wereld (1969; gedichten); Onze
eeuwige honger (1973, roman); Eindeloos en verder (1975; verhalenbundel); 13, een
meisjesboek (1976; roman); Eindelijk mezelf (1977, roman); Floroscoop. September (1979;
bloemlezing); Over (1980; roman); Mijn reis (1981, Indonesisch reisverhaal); Het leven een
film (1984; roman); Bevroren (1985; roman); Persoonlijk (1986; verhalenbundel); Gedroomde
rivalen (1987; roman); Kind in kamp (1989; verhalenbundel); Een gelijkend portret (1990;
roman); Geen verleden tijd: Nederlands op Ambon (1991; reisverslag); Een warme man voor de
winter (1992; verhalen); Tussen engel en demon (1992); Waar ik mee leef (1995); Tijdgeest
(1995; bundel interviews); Selamat Merdeka (1997; reisverhalen). Haar jeugdboeken:
Al zeg ik het zelf, zei de zwikzwaf (1960); Han mag appels eten (1961); Een hond om van te
houden (1997); Het ongeluk (1970); Niet zielig (1990).
Ze is kennelijk nog niet zo ontdekt door scholieren, maar haar werk biedt uitstekend
materiaal voor de leeslijst.