Lucebert is het pseudoniem van Lubertus Jacobus Swaanswijk (Amsterdam 1924
Alkmaar 1994), dichter en beeldend kunstenaar, wordt beschouwd als de meest
revolutionaire dichter van de experimentele generatie De Vijftigers. Vanaf zijn debuut in Reflex
(1949) met het antikoloniale gedicht Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia
lopen maatschappelijke en artistieke opstandigheid parallel, in de vorm van onvrede met de
burgerlijke orde.
Als dichter van de Experimentele Groep Nederland trad hij in deze jaren toe tot Cobra.
Veelzeggend ten aanzien van het naïeve element in zijn werk is de titel van een
bloemlezing uit zijn werk: Poëzie is kinderspel (1968). De bundel Val voor
Vliegengod (1959) vormt de bekroning van Luceberts eerste dichtperiode. Later zoekt
hij de fel begeerde zuiverheid in inkeer en vereenvoudiging.
Lucebert is vele malen bekroond, de eerste keer in 1953 met de Poëzieprijs van de stad
Amsterdam voor Apocrief. De analphabetische naam (1952). Bij die gelegenheid
verscheen hij verkleed als de keizer der Vijftigers. Dat baarde veel opzien, vooral
omdat de politie hierbij optrad.
Hieronder een voorbeeld van een van de bekendste gedichten door Lucebert:
(Het volgende gedicht is op te vatten als een manifest, een programma voor zijn
schrijverschap.)
Ik tracht op poëtische wijze
Dat wil zeggen
Eenvouds verlichte waters
De ruimte van het volledig leven
Tot uitdrukking te brengen
Ware ik geen mens geweest
Gelijk aan menigte mensen
Maar ware ik die ik was
De stenen of vloeibare engel
Geboorte en ontbinding hadden mij niet aangeraakt
De weg van verlatenheid naar gemeenschap
De stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg
Zou niet zo bevuild zijn
Als dat nu te zien is aan mijn gedichten
Die momentopnamen zijn van die weg |