Jeroen Brouwers (Jakarta 1940), Nederlands schrijver en essayist, was aanvankelijk
werkzaam in de journalistiek en bij een uitgeverij (in Brussel), maar wijdde zich na 1976,
in Nederland, geheel aan de literatuur.
Tussen zijn verhalend en beschouwend proza is geen strikte scheiding aan te brengen,
omdat beide genres diep geworteld zijn in een autobiografische ondergrond. Zelf heeft hij
zijn thematiek ooit omschreven als liefde, literatuur en dood.
Na zijn debuutbundel Het mes op de keel (1964), publiceerde hij de roman Joris
Ockeloen en het wachten (1967). Zonder trommels en trompetten (1973), is
autobiografischer. Daarna verscheen de roman Zonsopgangen boven zee (1977), dankzij
een grotere afstand tussen schrijver en ik-figuur en een eveneens grotere psychologische
diepgang.
In 1979 verscheen de roman Het verzonkene, het eerste deel van een aan zijn
Indische jeugd gewijde trilogie. Het tweede deel, Bezonken rood (1981), leidde tot
een heftige discussie, onder anderen met Rudy Kousbroek die het waarheidsgehalte van
Brouwers opmerkingen over de Japanse kampen in Nederlands-Indië bestreed.(Brouwers
beschrijft zijn herinneringen aan de toestanden in het interneringskamp Tjideng. )
In 1988 verscheen het imposante slot van de trilogie De Indiëromans: De zondvloed.
Alle hierboven genoemde boeken zijn geschikt voor een leeslijst. Opvallend is dat het
zelfstandig naamwoord zon in veel titels van romans van Brouwers op een
verborgen wijze voorkomt. Men kan denken aan de kwelling van de brandende zon die hij in
een jappenkamp moest verduren als nog heel jong kind.