Louis Paul Boon (Aalst 1912 Erembodegem 1979), Belgisch
Nederlandstalig schrijver, volgde lessen aan de Academie voor Schone Kunsten te Aalst
(19261928), was arbeider, gevel- en autoschilder, sedert 1944 journalist bij de
communistische bladen als De Rode Vaan (19441947) en Front
(19471950), en van 1954 tot 1972 vaste medewerker en later cultureel redacteur van
het socialistische dagblad Vooruit (Gent).
Boon maakte meteen naam met zijn debuutroman De voorstad groeit (1942). In Mijn
kleine oorlog (1946), dat steunt op eigen belevenissen en herinneringen van de auteur,
wordt de waanzin van de oorlog weergegeven vanuit het gezichtspunt van de kleine man.
Daarna: de roman De Kapellekensbaan (1953), waaraan hij tien jaar had gewerkt, en
waarin ook de neerslag van zijn journalistieke arbeid te vinden is. Met Zomer te
Ter-Muren (1956) vormt dit werk een tweeluik, dat algemeen als Boons meesterwerk wordt
beschouwd.
Heel populair werd zijn achttiende-eeuwse roverhoofdman Jan de Lichte in de boeken De
bende van Jan de Lichte en de zoon van Jan de Lichte.
In 1971 verscheen zijn roman Pieter Daens, of hoe in de negentiende eeuw de
arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht, dit boek werd ook verfilmd.
Aanraders voor een leeslijst: de genoemde romans over Jan de Lichte en de roman Menuet.