Gerrit Achterberg (Langbroek 1905 Oud-Leusden 1962), van calvinistische
afkomst, was opgeleid voor onderwijzer.
In 1931 verscheen van zijn hand de belangrijke eigen bundel Afvaart (1931),
waarin het karakteristieke motief van liefde en dood zich al doet gelden. Tussen Afvaart
en Eiland der ziel (1939) valt de tragische wending in Achterbergs leven, waardoor
de dood van de geliefde het overheersende thema in zijn poëzie werd en zijn dichterlijk
woord de magische functie kreeg haar weer tot leven te bezweren.
Er is in het leven van Achterberg sprake geweest van een doodslag die hij pleegde op
zijn hospita. Mogelijk was er een liefdesrelatie met de dochter van deze hospita (in
Utrecht). Hij werd hiervoor niet gestraft maar verpleegd in Rekken.
Uit zijn geestelijke desorientatie (die tijdelijk is geweest) ontstonden jaar na jaar
hoogst opmerkelijke, hoewel in wezen gelijkblijvende bundels. Achterbergs vers treft door
een eigenzinnig ritme, een vrije bouw en een suggestieve beeldspraak. Hoewel zijn werk
totaal verschilt van de traditionele dichtkunst van protestantsen huize, heeft het in alle
oorspronkelijkheid een trek van christelijk existentialisme In zijn latere bundels, o.a. Autodroom
(1954), dringen andere motieven het centrale thema opzij, terwijl terzelfder tijd de vorm
vaak strakker en traditioneler wordt (veel sonnetten)
Een voorbeeld van zijn dichtwerk volgt hieronder:
NOVEMBER
De nederige dagen van november
zijn weer gekomen, grijze als een emmer;
tevreden met het licht dat minderde
op de gezichten van de kinderen.
De wereld heeft derde dimensie over.
Stakerig staan de bomen zonder lover.
Door iedereen van ver te onderkennen,
moeten wij aan het nieuwe platvlak wennen
en lopen hoog voorbij de kale heg.
De fietsen rijden groot over de weg.
Verwintering gaat zienderogen door.
De eerste kouwe handen komen voor.
Geslachte varkens hangen te besterven;
ontnuchteren de paarse boerenerven.
De protestantse dagen van november
wijken een stuk uiteen op de kalender;
weduwen, terend op een schraal pensioen;
gemeentewoningen, die weinig doen;
een rij weesjongens met gelijke trekken;
in t lege land opengebleven hekken.
Toon van november knalt het jagersschot.
Verder en verder valt een deur in t slot.
Eerlijke kerken houden voor het gewas
dankstonden achter dun, armoedig glas.
Alles wordt enkeling. Een eigen graf
wacht op het kerkhof zijn bewoner af.
Huizen verwijderen zich van elkaar.
Wij kijken in de gaten van het jaar |
Aanrader voor een leeslijst: In overleg met de docent een keuze uit een bloemlezing,
bijvoorbeeld de bundel Voorbij de laatste stad (1955; met inl. van Paul Rodenko) of Het
weerlicht op de kimmen (1965).