Alle schrijvers indelen is een probleem
Als je de geschiedenis van welke kunstvorm dan ook gaat bestuderen, zul
je merken dat het indelen in periodes een van de moeilijkste en meest omstreden zaken is.
En dat geldt nog meer voor de periode die vlak achter ons licht. De meeste officiële
literatuurgeschiedenissen eindigen dan ook maar met hun indeling halfweg deze eeuw.
Toch is de globale indeling die bijvoorbeeld dr. H.Lodewick in zijn
literatuurgeschiedenis maakte voor de periode direct na de Tweede Wereldoorlog nog steeds
bruikbaar. In grote lijnen volgt deze hieronder:
Na 1945 manifesteren zich de volgende verschillende richtingen in onze
literatuur
1. Het schoppen tegen tradities en overgeleverde kunstvormen. Voorbeeld: werk van Jan
Jan Wolkers, maar ook van Remco Campert en andere Vijftigers.
2. Het lijden aan existentiële eenzaamheid. Het duidelijkste voorbeeld
is waarschijnlijk werk door J.Bernlef.
Maar ook: W.F.Hermans en, eerder, Anna Blaman.
3. Er is een zekere mate van engagement (betrokkenheid bij de
samenleving). Dus de persoonlijke betrokkenheid bij het wereldgebeuren. Onder meer bij Harry Mulisch, Jos
Vandeloo, Ward Ruyslinck.
4.Het op de voorgrond plaatsen van erotiek. Voorbeelden te over: werk
door Jan Wolkers, Van
het Reve, Anna Blaman.
5. Aandacht voor het schokkende detail. Bijv bij Hugo Raes, Jan Wolkers,
L.P.Boon en vele anderen.
6. Accenten op de absurditeit van het leven. In het latere werk van Marnix Gijsen, ook bij Bernlef, Mulisch, Vandeloo en anderen.
7. Een bepaalde vorm van 'zwarte' humor. Te vinden bij H.P. de Boer.
Het is ook herkenbaar bij cabaretiers als Freek de Jonge. Heere Heeresma kan hier ook worden
genoemd.
Nu is het schoolboek (van Lodewick) met deze indeling alweer behoorlijk
verouderd. Want aan deze zeer globale indeling zijn voor onze tijd de volgende richtingen
toe te voegen:
- De toenemende ontkerkelijking en tegelijkertijd de grotere aandacht
voor allerlei (al of niet spirituele) leefgemeenschappen. Tessa
de Loo geeft in haar roman Meander een beschrijving van een commune uit de
tachtiger jaren.
- De opkomst van het feminisme. Namen als Hannes Meinkema en Mensje van Keulen kunnen hier worden
genoemd. Verder Andreas Burnier.
- Emancipatie van allerlei groeperingen binnen de maatschappij. Anna Blaman, en later G.K. van het Reve schrijven
vrij openlijk over homo-erotische relaties.
Literatuur is de spiegel van wat er in de samenleving gebeurt, dus dat
een opsomming van allerlei tendensen hier op haar plaats is, zal duidelijk zijn.
Maar aan de andere kant bestaat de literatuur uit individuele uitingen
en daarom kleven er bezwaren aan elke vorm van indeling van schrijvers.
Intussen kan men ook een indeling maken op grond van het decennium
waarin een auteur leefde.
Dit is een uitgangspunt dat de meeste schoolboekschrijvers aanhouden.
Het ligt voor de hand om dan te spreken van Vijftigers,
Zestigers, Zeventigers en Tachtigers.
Hierbij moet wel worden bedacht dat de term Vijftigers in dit verband een totaal
andere betekenis heeft gekregen dan de andere genoemde aanduidingen. Met de term Vijftigers duidt men namelijk een groep experimentele
dichters (als Campert, Lucebert, Kouwenaar) aan, terwijl men met de
andere termen minder specifiek een bepaalde groep op het oog heeft.
Ook iemand als de dichter Hans
Andreus rekenen we tot de vijftigers. Jan
Hanlo moet hier eveneens worden genoemd.
Duidelijk zal zijn dat elke indeling haar bezwaren heeft en dat de
problemen alleen maar groter worden naar mate we de eigen tijd naderen.
Globaal overzicht
De tijd van 1945 tot ongeveer 1960.
De invloed van de Forumgroep lijkt nog groot te zijn. Al bestaat het
blad niet meer en zijn de belangrijkste redacteuren (Ter Braak, Du Perron, Marsman) niet
meer onder de levenden, toch wordt een gedicht als Een voetreis naar Rome door Bertus Aafjes als zeer belangrijk
beschouwd.
Dan ook krijgen de drie dichtbundels van Maria Vasalis
(pseudoniem van Maria Leenmans) een grote bekendheid.
Maar beide genoemde schrijvers uiten zich in feite nog traditioneel.
Steeds meer aandacht is er dan voor de gedichten van Gerrit Achterberg.
Al spoedig blijkt dat er twee tendensen zijn die laten zien dat we in
een veranderde wereld leven.
Allereerst is er de nieuwe romankunst. Een inmiddels klassiek geworden
roman uit 1947 laat er een voorbeeld van zien: De Avonden door G.K. van het Reve.
En er ontstaat een botsing tussen de oudere garde dichters en de nieuwe
groep Vijftigers.
De jaren zestig
Bepaald schokkend ervaren Nederlandse lezers het taalgebruik
("schuttingtaal") in het werk van vooral Jan
Cremer, Jan Wolkers en iets later Van het Reve.
Het is in feite de tijd van de zogenaamde bekentenisliteratuur. Van Jan Wolkers is de uitspraak afkomstig dat
de ervaringen uit zijn slechte jeugd een goudmijn zijn geworden voor zijn schrijverschap.
Omstreeks 1960 dienen zich in Vlaanderen een aantal auteurs aan die
stuk voor stuk indrukwekkend zijn wat hun productie betreft: Hubert Lampo, Johan Daisne,
Hugo Claus, Louis Paul
Boon, Ward Ruyslinck, Hugo Raes, Jos Vandeloo, Jeroen Brouwers, en later Kristien Hemmerechts.
De eerste twee in deze opsomming, Lampo
en Daisne worden niet toevallig bijeen
gezet: Lampo en Daisne rekenen we beiden tot het magisch
realisme. Dat is een (sub)stroming in de literatuur die in romans en verhalen droom en
werkelijkheid in elkaar doet overgaan.
Het magisch realisme hanteert in de literatuur het begrip archetype:
een oeroud, aangeboren idee. Archetypen zijn bijvoorbeeld (bij Lampo) het idee van Atlantis, het
dubbelgangersmotief, het beeld van de verlosser der mensheid, de Messias.
Bij Daisne het beeld
van de dood als van een lange reis.
Maar verder zijn de Vlaamse schrijvers die hierboven worden genoemd
bijzonder moeilijk in een bepaalde groep of stroming onder te brengen. Je kunt wel
vaststellen er eigenlijk buitengewoon veel Vlaamse schrijvers van groot formaat zijn aan
te wijzen in deze tijd.
De moeilijkheid van een goede indeling te maken geldt ook voor de
(Noord-)Nederlandse auteurs: als we bijvoorbeeld de zeventiger jaren het Ik-tijdperk
noemen dan zal duidelijk zijn dat er weinig stromingen en groepsvormingen in de literatuur
zijn aan te wijzen.
De jaren zeventig
Rond 1975 doet zich wel het verschijnsel van het zogenaamde Academisme
voor. Maar dat is uiteraard meer een scheldwoord dan een echt literaire term. Er wordt mee
bedoeld dat schrijvers als Doeschka Meijsing,
Frans Kellendonk en D.A.Kooiman zich schuldig
maken zouden aan een te bestudeerde manier van schrijven. Dus te academisch, niet alleen
van taal maar vooral in de hele opzet, de compositie. Zo kan men in het boekje Robinson
door Doeschka Meijsing een heel
gestileerde vorm van beeldspraak vinden: sommige critici vinden de gebruikte metaforen (in
dit geval het water, de zee) te gezocht, te opzettelijk.
Maarten t Hart
trekt nu ook zeer de aandacht met zijn vele publicaties. Hij is niet gemakkelijk onder een
bepaalde noemer te brengen.
Een typische dichter uit deze periode is Ter Balkt. Ook schrijvers als Jules Deelder, Judith
Herzberg krijgen aandacht. Heere
Heeresma schrijft realistische verhalen.
[ ga verder ]