Het is natuurlijk erg moeilijk om alle schrijvers in te delen in een bepaalde periode.
Bijvoorbeeld de auteur Arthur van Schendel publiceerde tot 1946 maar we beschouwen hem als
iemand van voor 1920. (generatie 1910). Ook Elsschot, Nescio, Couperus en Nijhoff
publiceerden voor en na 1920. Zoals hierboven soms is vermeld zijn er ook auteurs die bij
geen literaire traditie zijn in te delen.
Maar in zijn algemeenheid kan men wel iets gemeenschappelijks waarnemen
in vooral romans van de generatie 1920-1940.
Het gaat in die romans vaak om collectieve gevoelens, zelden over individuele belevenissen
(zoals in de bekentenisliteratuur van na 1945). Dat verklaart ook het
voorkomen van veel streekromans: in elke provincie kunnen we wel een auteur aanwijzen die
in streektaal van zijn geboorte-omgeving schreef.
Wie wat achtergrondinformatie over de tijd 1920-1940 wil hebben zou
eens de Spectrum-uitgave door Chamuleau en Dautzenberg (Nederlandse letterkunde, deel 2),
een Aulapocket, kunnen lezen.
Boeken als van Knuvelder, Lodewick zijn minder bruikbaar door hun vaak grote maar niet
steeds zinvolle gedetailleerdheid. Iemand als Knuvelder legde bovendien allerlei accenten
uit deze periode volkomen verkeerd in zijn Moderne Literatuur.
Piet Calis schreef een uitstekende, zij het wat uitvoerige,
literatuurgeschiedenis voor scholieren.
Voor informatie over auteurs is het losbladige Kritisch Lexicon over
schrijvers (na 1945) heel goed te gebruiken.
Dezelfde uitgeverij verzorgt ook een losbladige uitgave van het Lexicon van literaire
werken.
Overzichtelijke gegevens vindt men in de Oosthoek Lexicon van de Nederlandse en Vlaamse
literatuur (Uitgever Kosmos in Utrecht).
Einde literatuur in het Interbellum
Het gedeelte dat hierop aansluit heet: De Nederlandse literatuur en de
Tweede Wereldoorlog.
C.P. van Kempen