Over Elsschot (1882-1960) Zeer bekend werden zijn romans Lijmen/Het Been, Kaas, Een
Ontgoocheling en Het Dwaallicht.
Die roem was er rond 1911, toen Elsschot begon te publiceren nog
allerminst: van een Vlaamse schrijver verwachtte het lezende publiek op zijn minst sappige
streekromans in het Vlaamse dialect geschreven. (Zoals immers Felix Timmermans en Stijn
Streuvels deden!).
Pas na 1928 werd Elsschot echt ontdekt in Noord-Nederland, vooral door de stimulerende
invloed van Ter Braak en Du Perron.
Illustratief daarvoor |
|
is het gegeven dat de roman Lijmen in 1914 werd gepubliceerd en Elsschot
pas in veertien jaar later, in 1928 een vervolg op deze roman, Het Been liet verschijnen.
Vooral Ter Braak moedigde hem aan dit vervolg te schrijven (op een literatuurlijst dienen
beide boeken als een geheel gezien te worden).
De stijl van Elsschot is cynisch. Dat komt het beste tot uiting in het verderop volgende
begin van de roman Kaas. Deze roman wordt op veel scholierenliteratuurlijsten vermeld. |
Ook heel populair, maar misschien wat ontoegankelijker is de korte novelle Het Dwaallicht.
Wie dit boek leest moet in elk geval een goed gevoel hebben voor de doorlopende ironische
benadering die Elsschot geeft van onze Westerse christelijke cultuur.
De grote populariteit van Elsschot blijkt ook wel uit de vele bewerkingen van zijn boeken
als tv-spelen. (Lijmen/Het Been, De Verlossing, Villa des Roses, Kaas).
Er is een zekere verwantschap tussen de schrijvers Nescio en Elsschot.
Een belangrijk verschil is wel dat Elsschot meer heeft geschreven dan Nescio, en dat er
bij Nescio sprake is van een vaak centraal stellen van de natuurbeleving. Dat laatste
ontbreekt volkomen bij Elsschot. (Voorbeeld: aanhef van de novelle Het Tankschip:
"Het eeuwige gezeur van de zee werd drukkend, onuitsprekelijk. " Zon zin
zou bij Nescio ondenkbaar zijn).
Ook is er zeker verwantschap tussen het werk van Elsschot en de
verhalen van Simon Carmiggelt. Je zou zelfs kunnen stellen dat Carmiggelt iets van
Elsschot heeft geleerd. Bij beide auteurs treft men ironie en soms cynisme aan. Wel is
Carmiggelt milder. En uiteraard heeft zijn werk een ander karakter doordat hij zich
uitsluitend beperkte tot het genre van het korte verhaal.
Hoewel Elsschot zelf vond dat hij bij geen stroming behoorde (hij zei
dat hij nooit romans van anderen las om niet te worden beïnvloed) kunnen we hem toch heel
goed indelen bij de groep rondom het tijdschrift Forum, dus de Nieuwe Zakelijkheid. Immers
zijn woordgebruik is zakelijk, direct, zonder versieringen. Hij bezigt de gewone
spreektaal.
Minder bekend is dat Elsschot in zijn eerste periode gedichten schreef.
Deze gedichten komen nog het dichtst bij de "Parlando"-poezie zoals Du Perron
die schreef. Dus de inhoud (en vooral het karakter, de "vent") is in die
gedichten belangrijker dan de vorm.
Heel bekend bijvoorbeeld zijn de regels:
"want tussen droom en daad
staan wetten in de weg
en praktische bezwaren"
(uit het gedicht het huwelijk)
Tenslotte volgt hieronder van de hand van Elsschot de aanhef van de
roman Kaas. Vooral in dit gedeelte zien we een snijdend cynisme, een opstandigheid tegen
het verval en de dood van het menselijk lichaam.
Eindelijk schrijf ik je weer omdat er grote dingen staan te gebeuren en wel door
toedoen van mijnheer Van Schoonbeke.
Je moet weten dat mijn moeder gestorven is.
Een nare geschiedenis natuurlijk, niet alleen voor haar maar ook voor mijn zusters, die er
zich bijna dood aan gewaakt hebben.
Zij was oud, zeer oud. Op een paar jaar na weet ik niet hoe oud zij precies was. Ziek was
ze eigenlijk niet, maar grondig versleten.
Mijn oudste zuster, waar ze bij inwoonde, was goed voor haar. Zij weekte haar brood,
zorgde voor stoelgang en gaf haar aardappelen te schillen om ze bezig te houden. Zij
schilde, schilde, als voor een leger. Wij brachten allemaal onze aardappelen bij mijn
zuster en dan kreeg zij die van madame van boven en van een paar buren ook nog, want toen
ze eens geprobeerd hadden haar een emmer reeds geschilde aardappelen nog eens te doen
overschillen, wegens gebrek aan voorraad, toen had zij t gemerkt en warempel gezegd
die zijn al geschild'.
Toen zij niet meer schillen kon, omdat handen en ogen niet goed meer samenwerkten, toen
gaf mijn zuster haar wol en kapok te pluizen dat door het beslapen tot harde nopjes
verworden was. Het maakte veel stof en moeder zelf was een en al pluis, van kop tot teen.
Zo ging het maar steeds door, bij nacht zowel als bij dag: dommelen, pluizen, dommelen,
pluizen. En daar af en toe een glimlach doorheen. God weet tot wie.
Van mijn vader, die pas een jaar of vijf dood was, wist zij niets meer af. Die had nooit
bestaan, al hadden zij negen kinderen gehad.
Wanneer ik haar kwam bezoeken sprak ik wel eens over hem om te proberen zodoende haar
levensgeesten weer aan te wakkeren.
Ik vroeg haar dan of zij waarachtig Krist niet meer kende, want zo had hij geheten. Zij
deed zich vreselijk geweld aan om mij te volgen.
Zij scheen te begrijpen dat zij iets begrijpen moest, kwam voorover in haar zetel en
staarde mij aan met een gespannen gezicht en zwellende slaapaders: een uitgaande lamp die
dreigt te ontploffen bij wijze van afscheid.
Na een korte tijd doofde de vonk weer uit en dan gaf zij die glimlach af die door merg en
been ging. Als ik te lang aandrong werd zij bang.
Neen, het verleden bestond voor haar niet meer. Geen Krist, geen kinderen, alleen nog maar
kapok pluizen.
Een ding spookte haar nog door het hoofd, namelijk dat een laatste kleine hypotheek op
een van haar huizen nog niet afbetaald was. Wilde zij dat sommetje eerst nog bijeen
scharrelen?
Mijn brave zuster sprak over haar, waar zij bij zat, als over iemand die afwezig was:
Zij heeft goed gegeten. Zij is erg lastig geweest vandaag.'
Toen zij niet meer pluizen kon zat zij nog een tijdlang met haar blauwe knokkelhanden
parallel op haar schoot of urenlang krabbelend aan haar zetel alsof het pluizen nog
nawerkte. Zij onderscheidde gisteren van morgen niet meer.
Beide betekenden nog slechts nu niet'. Kwam het doordat haar gezicht verzwakte of
doordat zij te allen tijde door kwade geesten bereden werd? In ieder geval wist zij niet
meer of het dag of nacht was, stond op als zij liggen moest en sliep als zij had moeten
praten.
Als zij zich vasthield aan muren en meubelen, dan kon zij nog wat lopen. 's Nachts, als
allen sliepen, stond zij op, sukkkelde tot in haar zetel en begon kapok te pluizen die er
niet was, of zocht zo lang tot zij de koffiemolen te pakken kreeg, als was zij van plan
voor een of andere medestander koffie te zetten.
Een steeds die zwarte hoed op haar grijze kop, ook bij nacht, als gereed om uit te gaan.
Gelooft gij in hekserij?
Eindelijk ging zij liggen en toen zij gelaten die hoed liet afnemen wist ik dat ze niet
meer zou opstaan.