Een van de meest bewonderde (maar ook verguisde) schrijvers in de periode tussen de beide
wereldoorlogen was de essayist Menno ter Braak (1902 - 1940), die in de Gelderse gemeente
Eibergen geboren werd. Hij studeerde geschiedenis te Amsterdam, waar hij in contact kwam
met de jonge filmer Joris Ivens en met hem en enige andere vrienden De Nederlandsche
Filmliga' oprichtte. In een tijd waarin de film door velen als een soort kermisvermaak
werd beschouwd, streefde deze liga ernaar dat ook allerlei experimentele films
het publiek konden bereiken. Ter Braak zorgde bij de vertoning van deze - nog stomme -
films regelmatig voor begeleiding op de piano. In 1928 pleitte hij er in zijn essay
Cinema militans' (Strijdbare cinema) voor dat de film als een aparte kunstvorm zou
worden erkend.
In 1930 - Ter Braak was intussen leraar geworden - verscheen het Carnaval der
burgers', waarvan de titel een eerbewijs was aan de schrijfster Carry van Bruggen, die Ter
Braak met haar essay 'Prometheus' sterk had geïnspireerd. In zijn boek liet Ter Braak
zien hoe burger' en 'dichter' in onverzoenlijke tegenstelling tegenover elkaar
staan: fantasie, vrijheid en scheppingsdrang worden maar al te vaak door onze
gereglementeerde samenleving onderdrukt. Aan de andere kant blijkt steeds weer dat de
maatschappij niet zonder een zekere ordening kan blijven voortbestaan. Een ander
belangrijk boek in deze periode was 'Afscheid van domineesland' (1931), waarin de ideeën
van allerlei waarheidsverkondigers geestig op de korrel werden genomen.
Intussen was Ter Braak bevriend geraakt met de schrijver E. du Perron, die een diepgaande
invloed op hem heeft uitgeoefend. In tien jaar tijd wisselden zij meer dan twaalfhonderd
brieven. (Deze zijn alle uitgegeven in zeven delen bij uitgeverij Van Oorschot). De
gevoelsmens Du Perron en de kritische Ter Braak bleken elkaar goed aan te voelen. Samen
trokken zij ten strijde tegen allerlei opvattingen in het politieke en literaire leven.
Deze samenwerking bereikte een hoogtepunt in de periode dat het tijdschrift
Forum verscheen.
In dit blad trok Ter Braak in het bijzonder de aandacht door de nadruk die hij legde op de
vent', de persoonlijkheid van de kunstenaar. Ter Braak, die door zijn tegenstanders
ook wel Menno ter Afbraak werd genoemd, werd vooral door zijn bijdragen aan
Forum bekend als een voorvechter voor het vrije, onafhankelijke denken.
In 1932 gaf Ter Braak zijn leraarsbaan op en werd hij benoemd
tot letterkundig redacteur van het Haagse dagblad Het Vaderland'.
In hetzelfde jaar verscheen zijn roman Dr. Dumay verliest...': hierin wordt een
leraar beschreven, die er beter in slaagt de orde in zijn klas te handhaven dan in zijn
persoonlijke leven. In dit boek heeft Ter Braak veel eigen ervaringen verwerkt.
Nog een roman zou Ter Braak publiceren naast zijn vele kritische werk: Hampton Court. |
|
Voor 'Het Vaderland' schreef hij in de jaren hierna honderden
literaire kritieken, waarin hij niet alleen zijn mening gaf over allerlei boeken, maar
zich ook uitsprak over de grote problemen van zijn tijd. Dat hij er daarbij niet voor
terugschrok om ook zichzelf en zijn eigen motieven scherp te ontleden, blijkt uit zijn
boek Politicus zonder partij'. Intussen voelde hij zich door de terreur van het
nationaal-socialisme in Duitsland steeds duidelijker tot een politieke stellingname (die
hij tot nog toe had afgewezen) gedwongen. |
Ter Braak wierp zich na 1931 op tot verdediger van de democratie, omdat
deze regeringsvorm naar zijn mening tenminste een minimum aan geestelijke vrijheid en
menselijke waardigheid waarborgde.
In het nationaal-socialisme zag hij een beweging die voornamelijk gevoed werd door
wraakgevoelens van het allerlaagste allooi, gevoelens van rancune.
Toen de Duitse troepen in de meidagen van 1940 ons land waren binnengevallen, probeerde
Ter Braak, die in talrijke boeken de opvattingen van Hitler aan de kaak had gesteld, met
een vissersboot van uit Scheveningen naar Engeland te ontkomen. Zijn pogingen mislukten.
Op 14 mei, een dag voordat de Duitsers zijn woonplaats Den Haag binnentrokken, maakte hij
een einde aan zijn leven.
Hieronder de aanhef van een dagboek dat Ter Braak bijhield toen de Tweede Wereldoorlog
uitbrak.
Journaal 1939
Den Haag, 3 September. Dag oorlogsverklaring. Voor het eerst in mijn leven voel ik
neiging om een journaal te gaan houden.
ledere lust tot definitief stileren ontbreekt sedert het begin van de chantage met Polen,
die Hitler heeft ondernomen. Zelfs geen lust in schrijven; typen is minder
"litterair".
Stemming in de afgelopen dagen: wisselend van uur tot uur.
Angst, onverschilligheid, woede, beschaming. Een gevoel alles overheersend: te blijven
leven tot Hitler hangt. Dit zonder enig bijgevoel van wraakzucht. Ik haat dat individu
niet, ik veracht het niet eens, maar het moet worden uitgeroeid. Daarna kan men verder
zien. Mijn enige geloof, tot dusverre volkomen irrationeel: dat zulks gebeuren gaat, hoe
dan ook. Als dit geloof gaat ontbreken, is ook de laatste reden om te leven verdwenen.
Gevoel van beschaming, vooral over afgelopen zes jaar. Zoals v L zei: de lafheid van
degenen, die het deze zes jaar lang niet gewaagd hebben tegen Hitler in te denken. Alle
andere lafheid (angst voor bommen etc. ) acht ik vergeeflijk en normaal; deze lafheid kost
Europa bloed. Volslagen gemis aan fantasie bij de gemiddelde man om te begrijpen, dat een
land door misdadigers en psychopathen kan worden geregeerd. De man, die aan het bewind is,
is een,"heer": oude slavenmentaliteit, de mindere standen erkennen de regeerder
als "heer" ook als hij de duidelijkste contra-indicaties vertoont.
Radio: voor het moment, dat misschien voor jaren over het lot van Europa beslist,
Chamberlains oorlogsverklaring hedenmorgen, spreekt een juffrouw over groente in blik en
draait men een stuk opera af. Terwijl Ch. spreekt, op andere stations concert. De hele
chaos van de "publieke opinie" in dit symbool van onze middenstandscultuur.
Nieuwsgierig hoe zich deze radio-chaos zal ontwikkelen, op "oorlogseconomie" zal
worden overgeschakeld. Concerten gedurende bombardementen? Waarom niet? Het leven moet
toch zijn normale gang gaan. Gisteren bij Oscar Wilde zelfs al even dat gevoel: men moet
zo snel mogelijk afstompen tegen oorlogsmisdaden en ondertussen zijn "humaan"
gevoel oppotten, niet verkwisten, voor de nood aan de man is.
De vraag blijft of dit mogelijk is.