DE VLUCHT
Als de duisternissen stijgen uit het Oosten en over de wateren van het
Westen de groote schaduwen al waaiende zijn en het schuim bleek wordt, zijn zij nog
onbekommerd, en weten niet, dat onder het zwarte weer zij de wapenen tegen elkander zullen
heffen, noch vermoeden zij de schemering van het einde, waarin de schilden en de zwaarden
gebroken zullen liggen naast de doode lichamen.
Zonder meedoogen,onafwendbaar, komt de storm over de onwetenden.
Maar soms over de landen en de windrige heuvelen, nadert een teeken tot aan den voet onzer
muren en den drempel onzer poorten.
Van een enkele wordt dan het leven overschaduwd. Verwijdering en donkere
stilte komen tusschen hem en zijn naasten, en luisterend vanuit zijn gedoken angst, hoort
hij in de woorden dier onwetenden het eerste ritselen al van den dood. Dan, als de velen
nog zingen in de hooge, lichte zalen, staat hij in schaduw , en ziet een wolk boven den
troon der koningen.