|





| |
|
Een diep verlangen om de wijde wereld in te trekken, moet de dichter Jan Jacob Slauerhoff
(1898-1936) al vroeg in zich hebben gevoeld. Zijn diepste wens was: naar zee te gaan. Maar
zijn vader stond erop dat hij medicijnen zou gaan studeren. Toen hij daarna in Amsterdam
deze studie volgde, was zijn kamer verfraaid met een opiumpijp en het houten model van een
boot, terwijl hijzelf in een scheepskooi sliep.
Vrienden trakteerde hij op 'schipbreukwijn', die van een gestrand schip afkomstig zou
zijn. Zijn medestudenten noemden hem: Slau.
Trouwens: hij vond een compromis tussen zijn toekomstverlangen en wat zijn ouders van hem
verwachtten: hij werd scheepsarts.
Over dat zeemansbestaan zal hij dan heel veel, zowel romans, verhalen en gedichten (en
zelfs een toneelstuk) schrijven.
Al jong was Slauerhoff begonnen poëzie te schrijven, waarin hij - mede onder invloed van
bewonderde Franse dichters als Charles Baudelaire en Tristan Corbiere - zijn afkeer van de
geordende maatschappij onder woorden bracht. Nadat hij in het tijdschrift 'Het Getij' een
aantal verzen had gepubliceerd, verscheen in 1933 zijn eerste gedichtenbundel, 'Archipel'.
Enige maanden na de afsluiting van zijn artsenstudie greep Slauerhoff
de eerste gelegenheid aan om naar zee te gaan. In 1934 vertrok hij als scheepsarts met het
stoomschip 'Riouw' naar Nederlands Oost-Indië, maar onderweg werd hij ziek. Een jaar
later was hij opnieuw in het Verre Oosten, waar hij in dienst trad van de Java-China-Japan
Lijn.
Tijdens zijn zwerftochten in deze periode, waarbij hij vooral geboeid
werd door het onmetelijke, geheimzinnige China, schreef hij aan boord honderden gedichten,
die later verzameld werden in bundels als 'Eldorado, Saturnus' en
Serenade'. Evenals in zijn eerste bundel Archipel' schreef Slauerhoff hierin
over het lot van de gedoemde zwerver, die door zijn driften eindeloos wordt voortgejaagd,
maar die nergens zijn geluk kan vinden. Hetzelfde thema van het verlangen dat niet
bevredigd kan worden, kort voor in zijn verhalen, die gepubliceerd werden in Het
lente-eiland en Schuim En Asch'.
Nadat Slauerhoff ook enige tochten naar Zuid-Amerika had gemaakt,
keerde hij naar Nederland terug, waar hij de danseres Darja Collin ontmoette, met wie hij
enige maanden later trouwde. Direct daarna vertrok hij opnieuw naar Zuid-Amerika. In deze
tijd schreef hij zijn roman 'Het Verboden Rijk, waarin de zestiende-eeuwse Portugese
zeevaarder en schrijver Luis Camoës een van de hoofdpersonen is.
In Slauerhoffs volgende roman, Het Leven Op Aarde' probeert een Noord-Ierse
marconist, die ook al was opgetreden in 'Het Verboden Rijk', de westerse beschaving te
ontvluchten door volledige rust en vrede te zoeken in China.
Voor een leeslijst zijn enkele verhalen zoals Slauerhoff die uitgaf
onder de titel Schuim en Asch heel geschikt. Heel illustratief voor de kijk van Slauerhoff
op de samenleving is het volgende gedicht:
IN NEDERLAND
In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
'k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om t krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.
In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkrend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenooten smaden mij: ,,Hij is mislukt."
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.
In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om t welzijn van zijn medemenschen denken.
In het geniep slechts mag men krenken,
Maar niet een facie ranslen dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandlen zonder reden
Getuigt van tuchtelooze zeden.
Ik wil niet in die smalle huizen wonen.
Die Leelijkheid in steden en in dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen...
Daar loopen allen met een stijve boord
- Uit stijlgevoel niet, om te toonen
Dat men wel weet hoe het behoort -
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.
In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerloozen gekweld,
Nooit wordt zoo'n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord. |
Hetzelfde thema is verwerkt in het volgende gedicht:
WONINGLOOZE
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.
Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt. |
Toen Slauerhoffs laatste dichtbundel, 'Een eerlijk zeemansgraf' (1936),
verscheen, was hijzelf al ernstig ziek. Op 5 oktober 1936 stierf hij, achtendertig jaar
oud.
Een van de laatste gedichten uit deze bundel is het volgende:
HET EINDE
Vroeger toen k woonde diep in t land,
Vrat mij onstilbaar wee;
Zooals een gier de lever, want
Ik wist: geen streek geeft mij bestand,
En k zocht het ver op zee.
Maar nu ik ver gevaren heb
En lag op den oceaan alleen,
Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen
Niet boren door de kimmen heen,
Voel ik het trekken als een eb
Naar 't verre, vaste, bruine land...
Nu weet ik: nergens vind ik vree,
Op aarde niet en niet op zee,
Pas aan die laatste smalle ree
Van hout in zand. |
|
|