|



| |
|
Wat kosmisch expressionisme inhoudt, valt nog het beste op te maken zijn volgende gedicht.
PARADISE REGAINED
De zon en de zee springen bliksemend open:
Waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van de morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.
Zwervende tussen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van t water,
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgeloos zingt langs het eeuwige water
een heldre verruklijk-meeslepende wijs:
het schip van de wind ligt gereed voor de
reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen -
wij gaan terug naar t Paradijs. |
In dit gedicht (Paradise regained) zien we een duidelijke wens om heel intens te leven
verwoord: vitalisme is de naam die Marsman ervoor vond.
Dan volgt een periode met angst voor de dood en een derde periode met verlangen naar de
dood.
Heel opmerkelijk is dat Marsman rond 1930 tientallen gedichten schreef over een zinkend
schip.
Het is alsof hij iets omtrent zijn einde weet: op 21 juni 1940 wordt de kleine vrachtboot
waarin hij de overtocht van Frankrijk naar Engeland poogt te maken getroffen door een
torpedo. Hierbij vindt de dichter op 40-jarige leeftijd de dood.
Drie van die gedichten waarin hij deze dood aankondigt, volgen hieronder:
MAANNACHT
De maan breekt de wolken uiteen;
en stromende uit die wel breken
kolken en kreken, gletschers en meren
naar alle verten uiteen.
de aarde is klein en alleen,
een slingerend schip in het ruim,
dat zich stampend en schuin
overstag gaand in doodsangst
kampende boven houdt
op het kolkende water des donkers
onder het stormende schuim.
ik lig in het ruim naast een vrouw.
haar borsten rijzen en dalen;
zij slaapt, zij denkt nu alleen
in haar dromen aan het geluk;
hoe vredig haar ademhalen:
zij weet niets van den nood
van ons schip, zij hoort
de seinen niet gillen
noch het angstige fluiten
driemaal, als een signaal
van den dood.
gun mij nog twee uren slaap,
ik kan zo niet blijven waken.
- neem dan nu afscheid van haar,
misschien zult gij den morgen niet halen,
tenzij in een ander land.
ik schuif mijn hand in haar hand
- zie, even beven haar wimpers -
zo liggen wij naast elkaar
als tweelingen, sluimrende kindren.
zullen wij elkaar niet meer vinden
dan zij mij dood - of ik haar? |
ZINKEND SCHIP
De avond daalt;
een zinkend schip.
de kiel slaat op
een blinde klip.
- o, hartstocht
van dit stil vergaan,
in koele nacht,
in koele maan.
'en gij, die eens
dit leven prees
met sterke stem
en harde keel,
is dan het glanzen
van uw woord
bestorven en
voorgoed teloor ?'
- ik heb geleerd
dat in den dood
de ziel zal stijgen
levensgroot
of dalen
in het schimmenrijk
en falen
onherroepelijk
en dat al wat
der wereld is
een waan is,
een bekommernis.
na deze woorden
wordt het stil,
alsof de nacht
omvamen wil
een zinkend schip,
een koele maan -
twee stemmen, stijgend uit de klip;
- o, red ons, wij vergaan! |
DE OVERTOCHT
De eenzame zwarte boot
vaart in het holst van den nacht
door een duisternis, woest en groot.
den dood, den dood tegemoet.
ik lig diep in het kreunende ruim,
koud en beangst en alleen
en ik ween om het heldere land,
dat achter den einder verdween
en ik ween om het duistere land,
dat flauw aan den einder verscheen.
die door liefde getroffen is
en door het bloed overmand
die ervoer nog het donkerste niet,
diens leven verging niet voorgoed;
want de uiterste nederlaag
lijdt het hart in den strijd met den dood.
o! de tocht naar het eeuwige land
door een duisternis somber en groot
in de nooit aflatende angst
dat de dood het einde niet is. |
|
|